Als u de bronnen van applicatiepakketten in uw peer-to-peerinstallatie wilt controleren, ook wel distributieoptimalisatie genoemd, moet u nagaan hoe gegevens binnen uw netwerken en subnetwerken worden verzonden en ontvangen.

Kantoren en subnetten

Bepaal een kantoor met een of meer subnetten of subnetbereiken die in een local area network (LAN) met elkaar zijn verbonden. Kantoren ontvangen inhoud van hoofdkantoren en verspreiden inhoud naar subkantoren.
  • Kantoortypen - Peer-to-peerdistributie kent drie typen kantoren die elk gegevens op een bepaalde manier delen.
    • Standaard - Een standaard bedraad LAN. Clients proberen inhoud te delen en sturen ontdekkingsaanvragen via broadcastberichten.
    • VPN - Een kantoor en subnetbereik voor clients die verbinding maken via een VPN. Clients in een VPN-kantoor proberen geen inhoud te delen, maar sturen wel ontdekkingsaanvragen via broadcastberichten.
    • Wi-Fi - Een kantoor en subnetbereik voor clients die via Wi-Fi zijn verbonden. Clients in een Wi-Fi-kantoor delen wel inhoud, maar sturen geen ontdekkingsaanvragen via broadcastberichten.

    Opmerking: Als u in uw kantoor een bedraad (standaard)subnet hebt, maar ook een Wi-Fi-subnet, maak dan een kantoor voor elk netwerk aan. Stel het Wi-Fi-kantoor als subkantoor van het bedrade kantoor in, zodat het Wi-Fi-netwerk pakketten van het bedrade hoofdkantoor ontvangt.
  • Centraal kantoor en de peer-to-peerserver - De peer-to-peerserver moet zich in een van de subnetten van het centrale kantoor op het hoogste niveau bevinden. Op die manier is de server voor alle clients in de hiërarchie te bereiken.

Gegevensoverdracht in kantoren

Inhoud wordt eenmaal van een hoofdkantoor naar een subkantoor verspreid. Zo blijft het dataverkeer tussen wide area network (WAN)-verbindingen beperkt.
  • Adaptief protocol - Het adaptieve protocol is een bedrijfseigen protocol waarmee de lengte van de edgerouterwachtrijen worden gecontroleerd en gegevens worden verzonden wanneer wachtrijen bijna leeg zijn. Dit protocol, geïmplementeerd door een geavanceerd kernelstuurprogramma, verwijdert de noodzaak om de bandbreedte te regelen bij het implementeren van applicaties met de peer-to-peerdistributie.
  • Binnen kantoren - Gegevensoverdrachten binnen kantoren gaan via LAN of het Foreground-protocol. Dit protocol staat niet onder het beheer van het peer-to-peerdistributiesysteem .
  • Tussen kantoren - Gegevensoverdrachten tussen kantoren onderling gaan via WAN of het Background-protocol. Dit protocol wordt ook het Adaptieve protocol genoemd, waarmee de beschikbaarheid van de bandbreedte op WAN-koppelingen wordt beschermd.
  • Tussen subnetten - Stel subnetten die via een WAN-verbinding met elkaar zijn verbonden in als aparte kantoren. Als kantoren onjuist zijn geconfigureerd, kan het LAN-protocol via een WAN-verbinding worden gebruikt, waardoor het WAN verzadigd raakt.

Clients ontvangen applicaties volgens geordende criteria

Het verzenden en ontvangen van applicaties is van vele factoren afhankelijk, zoals de beschikbare opslagruimte op een toestel, het model van een toestel en het type besturingssysteem. De downloadvolgorde wordt bepaald door de volgende criteria, van boven naar beneden.

  1. Toestellen met de meeste vrije opslagruimte.
  2. Voorkeurstoestellen, oftewel RVP's (‘rendezvous points’)
  3. Toestelmodel (desktops genieten de voorkeur boven laptops)
  4. Type besturingssysteem (servers genieten de voorkeur boven werkstations)
  5. Toestellen die het langst aan staan
  6. Toestellen met de meeste bruikbare opslagruimte

Back-upsystemen

Peer-to-peerclients ontvangen applicatiepakketten van een CDN of een bestandssysteem als de pakketten niet binnen de hiërarchie voorhanden zijn. Een CDN (optioneel voor implementaties op locatie) biedt hogere downloadsnelheden dan het bestandssysteem.