Configureer gegevens over de Win32-applicatie, zoals het bepalen wanneer en hoe het moet worden geïnstalleerd en hoe moet worden vastgesteld dat de installatie is voltooid.

Procedure

  1. Configureer de opties op het tabblad Details.

    Het Workspace ONE UEM-systeem kan geen gegevens parseren van .exe- en .zip-bestanden. Voer de informatie voor .exe- en .zip-bestanden op het tabblad in. Voor .msi-bestanden scant het systeem deze informatie automatisch.

    • Applicatienaam
    • Versie van applicatie
    • Applicatie-ID
  2. Vul de opties op het tabblad Bestanden in door afhankelijkheden, transforms, patches en de-installatieprocedures te uploaden.
    Bestand Beschrijving

    Configuraties

    Applicatie-dependency's

    MSI, EXE, ZIP

    De omgeving en de toestellen hebben deze applicaties nodig om de Win32-applicatie uit te voeren.
    1. Selecteer dependencybestanden onder de optie Kies afhankelijke applicaties.
    2. Zorg ervoor dat het systeem de dependency’s in de juiste volgorde toepast. Het systeem werkt de bestanden van boven naar beneden af.
    Applicatietransformaties

    MST-type

    Deze bestanden besturen de installatie van de applicatie en kunnen componenten, configuraties en processen tijdens de installatie toevoegen of blokkeren. Klik op Toevoegen om het .mst-bestand op het netwerk te selecteren.
    Applicatiepatches

    MSP-type

    Deze bestanden bevatten wijzigingen, zoals oplossingen voor bugs, updates of nieuwe applicatiefuncties. Er zijn twee soorten:
    • Toevoegend – Dit type bevat alleen de wijzigingen die sinds de laatste applicatieversie of de laatste patch zijn ontwikkeld.
    • Cumulatief – Bevat de gehele applicatie inclusief alle wijzigingen sinds de laatste applicatieversie of de laatste patches.
    1. Klik op Toevoegen.
    2. Selecteer of de patch toevoegend of cumulatief is.
    3. Klik op Bestand om het .msp-bestand op het netwerk te selecteren.
    Applicatie-deïnstallatieproces Deze scripts instrueren het systeem om onder bepaalde omstandigheden een applicatie te de-installeren.

    Aangepaste scripts zijn optioneel voor .msi-bestanden.

    1. Selecteer de optie Aangepast script gebruiken.
    2. Kies of u een script wilt uploaden of invoeren onder Aangepast scripttype.
      • Klik op Uploaden om het scriptbestand op het netwerk te selecteren.
      • Klik op Input en voer het aangepaste script in.
  3. Vul de instellingen in Implementatieopties > Installatiemoment in.
    Op dit tabblad staan instructies voor het systeem om de applicatie met specifieke criteria te installeren. Voor .msi-bestanden scant het systeem informatie automatisch. Voor .exe- en .zip-bestanden moet u deze informatie handmatig invoeren.
    1. Selecteer Gegevensvoorwaarden > Toevoegen en stel de opties in, afhankelijk van het criteriumtype dat u selecteert.
      Stel de voorwaarden voor instructies en voltooiingsscenario's in.
      • Instructies – De installatievoorwaarden instrueren het systeem om applicaties te installeren, wanneer het toestel aan bepaalde criteria voldoet.
      • Voltooiing – De installatievoorwaarden identificeren wanneer een installatie voltooid is.
      Instelling - App Beschrijving - App
      Criteriumtype

      Applicatie bestaat

      Applicatie bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een applicatie op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een applicatie op het systeem aanwezig is of juist niet.

      Workspace ONE UEM controleert of de applicatie aanwezig is, maar implementeert de applicatie niet op toestellen.

      Applicatie-ID Voer de applicatie-ID in zodat het systeem kan controleren of de secundaire applicatie aanwezig is of niet.

      Deze waarde staat ook bekend als de productcode van de applicatie.

      Versie Voer een specifieke versie in.
      Instelling - Bestand Beschrijving - Bestand
      Criteriumtype

      Bestand bestaat

      Bestand bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een specifiek bestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een specifiek bestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      Pad Voer het bestandspad (de locatie) op het toestel in waar het systeem moet controleren of het bestand aanwezig is. Voer ook de naam van het bestand in.
      Versie Voer een specifieke versie in.
      Gewijzigd op Voer de datum in dat het bestand voor het laatst gewijzigd werd.
      Instelling - Register Beschrijving - Register
      Criteriumtype

      Register bestaat

      Register bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een specifiek registerbestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een specifiek registerbestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      Pad Voer het pad op het toestel in waar het systeem de keys en de waarden kan vinden. Bevat het volledige pad, beginnend met HKLM\ of HKCU\.
      Registerwaarden configureren
      • Waardenaam — Voer de naam van de sleutel in. Dit object slaat de waarde op en wordt in de bestandsstructuur van het toestel weergegeven
      • Waardetype — Selecteer welk type sleutel in de bestandsstructuur van het toestel wordt weergegeven.
      • Waardegegevens — Voer de waarde van de sleutel in. Het naam- en datapaar van de key wordt in de bestandsstructuur van het toestel weergegeven.
    2. Stel in Benodigde schijfruimte in hoeveel schijfruimte aanwezig moet zijn om installatie van de applicatie te laten plaatsvinden.
    3. Stel in Benodigd stroomniveau in hoe hoog het accupercentage op het toestel moet zijn om installatie van de applicatie te laten plaatsvinden.
    4. Stel in Benodigde RAM in hoeveel werkgeheugen beschikbaar moet zijn om installatie van de applicatie te laten plaatsvinden.
  4. Vul de instellingen in Implementatieopties > Zo installeert u in.
    Definieer het installatiegedrag op toestellen. Tijdens het configureren van de Win32-applicaties in de Workspace ONE UEM-console, zijn er verschillende combinaties die u kunt kiezen voor het instellen van Installatiecontext en Beheerdersbevoegdheden op het tabblad implementatie. Uw installatieproces kan variëren, afhankelijk van de instellingen. Raadpleeg Installatiegedrag van Win 32-applicaties voor meer informatie over het installatiegedrag van Win 32-applicaties.
    Instelling Beschrijving
    Installatiecontext Bepaal hoe het systeem de installatie toepast.
    • Toestel – Installeer de applicatie op het toestel voor alle gebruikers.
    • Gebruiker – Installeer de applicatie alleen voor bepaalde gebruikersaccounts (ingeschreven).
    Installatiecommando Voer een commando in voor de installatie van de applicatie.
    • MSI – Het systeem haalt automatisch de installatiecommando’s op, waaronder patches en transforms.
      • Patches – Wijzig de volgorde in de lijst om te bepalen in welke volgorde patches worden geïnstalleerd.
      • Transforms – De volgorde waarin het systeem de transforms toepast wordt bepaald wanneer u de applicatie toewijst. U ziet een tijdelijke naam voor de transform tot u de transform tijdens het toewijzingsproces koppelt.
    • EXE en ZIP – Vul het installatiecommando in en geef de patchnamen en de volgorde van toepassing in het commando op. U moet ook het installatiecommando invoeren waarmee de installatie van de Win32-applicatie in gang wordt gezet.

      Als u de patches en transforms niet in het .exe- of .zip-bestand verpakt, maar ze in plaats daarvan apart toevoegt, dient u ervoor te zorgen dat u de bestandsnamen van de patches en de opzoektekstvakken van de transforms in het installatiecommando opneemt.

    Beheerdersbevoegdheden Bepaal dat de installatie zich niet hoeft te houden aan de ingestelde beperkingen afhankelijk van toestelbevoegdheden.
    Toestelherstart Met de waarden voor de opties van Toestelherstart voor Win32-applicaties kan de gebruiker de toestelherstart maximaal 7 dagen uitstellen. Dankzij deze waarden hebben beheerders een veel betere controle over de levenscyclus van applicatiebeheer. Beheerders kunnen de herstart van applicaties forceren of applicatieherstarts creëren waarvoor gebruikersbetrokkenheid vereist is. Hiermee maken ze de installatie van de door de beheerder verplichte applicaties gebruiksvriendelijker.

    Toestelherstart staat standaard ingesteld op Geplande herstart gebruiker, waarmee u voor elke applicatie een Deadline voor herstart kunt configureren. Als u de Deadline voor herstart wilt instellen, voert u de uiterste datum in. U kunt ook de opties Niet herstarten of Herstart forceren kiezen als u het toestel niet wilt herstarten of de herstart wilt forceren.
    Opmerking: De deadline voor herstart is maximaal 7 dagen.

    Zie Overwegingen met betrekking tot toestelherstart voor uw Win32-applicaties voor meer informatie.

    Aantal hernieuwde pogingen Bepaal hoeveel keer het systeem moet proberen de applicatie te installeren na een mislukte poging.
    Interval tussen pogingen Voer in hoeveel minuten het systeem moet wachten na een mislukte installatiepoging alvorens een volgende poging moet worden gedaan.
    Installatietime-out Voer in hoeveel minuten het systeem het installatieproces moet laten draaien alvorens een mislukte poging wordt geconstateerd.
    Afsluitcode voor installatieprogramma - heropstart Voer de code in die het installatieprogramma moet versturen na een heropstart.

    Lees de sectie over Toestelherstart door. Indien u de optie Niet herstarten heeft geselecteerd, maar u voert toch een afsluitcode voor een heropstart in, zal het systeem ervan uitgaan dat de installatie succesvol is voltooid nadat het toestel opnieuw is opgestart, ook al is een herstart niet verplicht.

    Afsluitcode voor installatieprogramma - succes Voer de code in die het installatieprogramma moet versturen na een succesvolle installatie.
  5. Voer de instellingen in Implementatieopties > Wanneer installatie voltooid wordt verklaard in.
    Configureer Workspace ONE UEM om de succesvolle installatie van Win32-applicaties te identificeren. Het systeem heeft deze informatie nodig voor .exe- en .zip-bestanden.
    1. Configureer in Aanvullende criteria gebruiken het systeem om aanvullende criteria te gebruiken om de voltooiing van het installatieproces te identificeren.
    2. Voeg in Applicatie identificeren per een specifiek criterium toe om de voltooiing van de installatie te identificeren of aangepaste scripts te gebruiken.
      Instelling voor applicatiecriteria Beschrijving instelling applicatiecriteria
      Criteriumtype

      Applicatie bestaat

      Applicatie bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een applicatie op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een applicatie op het systeem aanwezig is of juist niet.

      Workspace ONE UEM controleert of de applicatie aanwezig is, maar implementeert de applicatie niet op toestellen.

      Applicatie-ID Voer de applicatie-ID in zodat het systeem kan controleren of de secundaire applicatie aanwezig is of niet.

      Deze waarde staat ook bekend als de productcode van de applicatie.

      Versie Voer een specifieke versie in.
      Instelling - Definiërende criteria - Bestand Beschrijving - Definiërende criteria - Bestand
      Criteriumtype

      Bestand bestaat

      Bestand bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een specifiek bestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een specifiek bestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      Pad Voer het bestandspad (de locatie) op het toestel in waar het systeem moet controleren of het bestand aanwezig is. Voer ook de naam van het bestand in.
      Versie Voer een specifieke versie in.
      Gewijzigd op Voer de datum in dat het bestand voor het laatst gewijzigd werd.
      Instelling - Definiërende criteria - Register Beschrijving - Definiërende criteria- Register
      Criteriumtype

      Register bestaat

      Register bestaat niet

      • Instructie – Stel het systeem zo in dat de applicatie wordt geïnstalleerd, wanneer een specifiek registerbestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      • Voltooiing – Stel het systeem zo in dat de applicatie als voltooid wordt verklaard, wanneer een specifiek registerbestand op het systeem aanwezig is of juist niet.
      Pad Voer het pad op het toestel in waar het systeem de keys en de waarden kan vinden. Bevat het volledige pad, beginnend met HKLM\ of HKCU\.
      Registerwaarden configureren
      • Waardenaam — Voer de naam van de sleutel in. Dit object slaat de waarde op en wordt in de bestandsstructuur van het toestel weergegeven
      • Waardetype — Selecteer welk type sleutel in de bestandsstructuur van het toestel wordt weergegeven.
      • Waardegegevens — Voer de waarde van de sleutel in. Het naam- en datapaar van de key wordt in de bestandsstructuur van het toestel weergegeven.
      Instelling - Custom script gebruiken Beschrijving - Custom script gebruiken
      Scripttype Selecteer het scripttype.
      Commando om script uit te voeren Voer de waarde in die het scripttype script.Custom activeert.
      Aangepast scriptbestand Klik op Uploaden om het custom scriptbestand op het netwerk te selecteren.
      Afsluitcode succes Voer de code in die het script moet versturen na een succesvolle installatie.
  6. Selecteer Opslaan en toewijzen om flexibele implementatieopties te configureren.

Volgende stappen

Wijs schema’s voor flexibele implementatie aan de Win32-applicatie toe. Zie Toewijzingen en uitsluitingen toevoegen aan applicaties in VMware Workspace ONE UEM 1904.