Als u in de Workspace ONE UEM-console de privacyinstellingen van de persoonlijke applicatie configureert als Niet verzamelen, wordt de persoonlijke app-informatie uit de toestellen niet verzameld. Dat wil zeggen dat de persoonlijke app-informatie van de eindgebruiker niet vanaf hun apparaten wordt verzonden.

Voor privacyinstellingen gelden echter de volgende voorbehouden die van invloed zijn op de instellingen van het netwerkbeleid voor de applicatielijst en het applicatiebeheerprofiel

  • Het netwerkbeleid voor de applicatielijst controleert of een toestel over de juiste applicaties beschikt (op zwarte of witte lijst, of vereist). Als het systeem niet vraagt om de applicatielijst, wordt mogelijk niet gecontroleerd op deze applicaties. Als gevolg hiervan worden de toestellen met bepaalde op een zwarte lijst geplaatste applicaties niet gemarkeerd als 'niet-conform'. Ook toestellen die bepaalde 'vereiste' (persoonlijke) applicaties bevatten, worden dan gemarkeerd als 'niet-conform'.
  • Het applicatiebeheerprofiel met de actie op apps die 'op een zwarte lijst zijn geplaatst' wordt niet toegepast op toestellen waarvan de persoonlijke app-privacy is ingesteld op Niet verzamelen en wordt alleen toegepast op de toestellen waarvoor we de persoonlijke app-informatie verzamelen.
Als u acties wilt uitvoeren op de lijst met persoonlijke apps van uw eindgebruikers, dient u de persoonlijke app-privacyconfiguratie voor het eigendomstype van het betreffende toestel op alle OG's bij te houden en het volgende te controleren:
  • Controleer of de configuratie niet is ingesteld op Niet verzamelen. Als u de privacy van uw eindgebruikers wilt waarborgen en mogelijk schadelijke apps wilt detecteren, stelt u de privacyinstelling in op Verzamelen, maar niet weergeven.
  • Controleer of uw eindgebruikers over de rechten beschikken om de applicaties waarop u acties wilt uitvoeren, te ontvangen vanuit Workspace ONE UEM.