Interne applicaties worden vaak ontwikkeld voor specifieke bedrijfstaken. Plotseling verwijderen van deze applicaties kan leiden tot frustraties en werkonderbreking. U kunt voorkomen dat belangrijke interne applicaties worden verwijderd door de Bescherming tegen applicatieverwijdering te gebruiken. De Bescherming tegen applicatieverwijdering zorgt ervoor dat het systeem bedrijfskritieke applicaties niet verwijdert, tenzij dat door de beheerder is goedgekeurd, en blokkeert de commando’s voor de verwijdering van applicaties op basis van de drempelwaarden.

Het systeem dat applicaties tegen verwijdering beschermt, onderzoekt of de wachtrij van commando‘s voor verwijdering van applicaties waarden bevat die overeenkomen met uw drempelwaarden of deze overschrijden. Verschillende wijzigingen in de status van applicaties of groepen kunnen commando’s voor het verwijderen van applicaties activeren. De commando’s voor de verwijdering van applicaties starten bijvoorbeeld wanneer u uw smart groups bewerkt, applicaties publiceert, applicaties deactiveert of intrekt, applicaties verwijdert, enzovoort. Voer de volgende stappen uit om de Bescherming tegen applicatieverwijdering te configureren in een organisatiegroep op klantniveau of hieronder in de Workspace ONE UEM console.

Voorwaarden

U kunt de standaardwaarden gebruiken of de limieten invoeren om aan te geven wanneer het systeem commando‘s voor het verwijderen van applicaties moet blokkeren. Deze acties voorkomen dat de betreffende interne applicaties door het systeem van apparaten worden verwijderd. Tot een beheerder anders besluit over de geblokkeerde commando‘s voor de verwijdering van applicaties, worden er geen interne applicaties door het systeem verwijderd. Drempelwaarden zijn in het algemeen van toepassing op bundel-ID's en gelden voor organisatiegroepen van het type klant. Deze waarden worden overgenomen door de onderliggende organisatiegroepen. Wanneer u drempelwaarden instelt en opvolgt, dient u rekening te houden met de volgende kenmerken, zodat u geïnformeerde acties kunt uitvoeren op applicaties en beschikt over de benodigde machtigingen om actie te ondernemen op de commando’s voor de verwijdering van applicaties. Omdat het systeem drempelwaarden per bundel-ID toepast, is het mogelijk dat een enkele applicatie verschillende namen en toch dezelfde bundel-ID heeft.
Opmerking: Beheerders kunnen drempelwaarden in de onderliggende organisatiegroepen niet overschrijven. De beschikbare rollen en acties worden bepaald door de plaats van beheerders in de hiërarchie van de organisatiegroep. Beheerders in onderliggende organisatiegroepen kunnen de commando‘s voor verwijdering uitvoeren in hun toegewezen organisatiegroepen. Beheerders in bovenliggende organisatiegroepen kunnen de waarden bewerken en commando‘s voor verwijdering uitvoeren in hun bovenliggende groep en in de onderliggende organisatiegroepen.

Procedure

  1. Navigeer naar Groepen en instellingen > Alle instellingen > Applicaties > Workspace ONE > Beveiliging tegen verwijdering van applicaties.
  2. Voer de volgende drempelinstellingen in:
    Instelling Beschrijving
    Beïnvloede apparaten Voer het maximale aantal toestellen in waarop een kritieke applicatie kan worden verwijderd voordat hierdoor het werk van het bedrijf wordt belemmerd.
    Binnen (minuten) Hiermee geeft u aan wanneer (het maximale aantal minuten voorafgaand aan de gebeurtenis) een systeemmelding moet worden verzonden voordat de verwijdering van een kritieke applicatie toestellen belemmert bedrijfstaken uit te voeren.
    E-mailsjabloon Selecteer een sjabloon voor de e-mailmelding en pas deze aan uw wensen aan. Het systeem bevat een sjabloon voor de Melding Limiet bereikt voor applicatieverwijdering die specifiek is voor de bescherming tegen de verwijdering van applicaties.
    E-mail verzenden aan Geef e-mailadressen op als u meldingen wilt ontvangen over geblokkeerde commando‘s voor verwijdering, zodat de ontvangers actie kunnen ondernemen in het logboek van applicatieverwijderingen.
  3. Daarna kunt u de instellingen opslaan.