De catalogusbeheerder van toepassingen moet een actiescript opgeven voor minstens één van de fasen in de levenscyclus. Voor het implementeren van een toepassing kunt u een script voor installeren, configureren, starten, terugdraaien en ontkoppelen maken. Het is ook mogelijk om een updatescript te maken om een bestaande omgeving bij te werken. Deze scripts zijn aangepast om de onderdeeleigenschappen te gebruiken.

Over deze taak

U hoeft geen scripts voor alle fasen in de levenscyclus toe te voegen. Indien u een bepaalde fase niet nodig hebt, kunt u deze negeren.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij Application Services als een cloudbeheerder voor toepassingen en een uitgever en implementator van toepassingen.

  • Indien u een script wilt gebruiken dat software vanaf een externe website downloadt, moet u ervoor zorgen dat de virtual machine die u gebruikt voor het implementeren van de toepassing toegang tot een extern netwerk heeft.

  • Raak vertrouwd met de basisconcepten omtrent het definiëren en configureren van eigenschappen en acties van onderdelen. Zie Application Services-onderdelen ontwikkelen.

  • Voor het bekijken van voorbeelden over het toevoegen van scripts aan een service, selecteert u Bibliotheek > Services om de vooraf gedefinieerde services weer te geven.

  • Controleer of eigenschappen voor de serviceversie zijn gedefinieerd. Zie Eigenschappen van serviceversies definiëren.

Procedure

  1. Open een bestaande serviceversie en klik op Bewerken.
  2. Selecteer een scripttype voor uw actiescript in het vervolgkeuzemenu.

    Voor op Linux gebaseerde toepassingen kunt u Bash- of BeanShell-script gebruiken en voor op Windows gebaseerde toepassingen kunt u Windows CMS-, PowerShell- of BeanShell-script gebruiken.

  3. Klik op de hyperlink in de scriptkolom om het dialoogvenster Script bewerken te openen.

    U kunt het script in het dialoogvenster schrijven of kopiëren.

    Een catalogusbeheerder van toepassingen kan parameters aan de installatie en configuratie van services toevoegen. De eigenschappen die voor een service worden gedefinieerd, kunnen in dat script worden gebruikt.

  4. Klik op de pijl omlaag in het veld scripttype om een type actiescript voor een fase van een levenscyclus te selecteren.
  5. Om de eigenschappen die u hebt gedefinieerd in te voegen, klikt u op de pijl omlaag in de invoeglijst Een eigenschap selecteren.
  6. (Optioneel) :

    Schakel het selectievakje Opnieuw opstarten in om de virtual machine opnieuw te starten nadat het script succesvol is uitgevoerd tijdens een toepassingsimplementatie.

  7. Klik op OK.
  8. In de kolom Opnieuw opstarten schakelt u het selectievakje in zodat de agentbootstrap de virtual machine opnieuw kan opstarten nadat een actiescript is voltooid.

    Nadat de virtual machine opnieuw is gestart, gaat de agent verder naar de volgende fase die in het script voor de levenscyclus van de serviceversie is gedefinieerd.

  9. Klik op Opnieuw instellen om het script te wissen.

    Door deze bewerking wordt niet de lijn voor de fase in de levenscyclus verwijderd.

  10. Wanneer u klaar bent met het maken van de serviceversie, klikt u op Opslaan.
  11. Klik op OK.

Resultaten

De service die u hebt gemaakt, is aan de pagina toegevoegd.

Volgende stappen

Maak een kopie van een bestaande serviceversie of bewerk de service. Zie Serviceversies onderhouden.