Onderdeeleigenschappen worden gebruikt om parameters aan scripts toe te voegen, zodat Application Services de gedefinieerde eigenschappen als omgevingsvariabelen kan doorgeven aan scripts die op een virtual machine worden uitgevoerd.

Alvorens een script uit te voeren vanuit de levenscyclusfase, communiceert de Application Services-agent op de virtual machine met de Application Services-server om de eigenschappen te achterhalen. De agent maakt met deze eigenschappen vervolgens scriptspecifieke variabelen en geeft deze door aan de scripts.