De toepassingsblueprint levert gedetailleerde controle over installatieafhankelijkheden, configuratiewijzigingen en bewerkbare scripts. Application Services genereert uitvoeringsplannen uit de blueprint die u kunt herzien en gebruiken voor het implementeren van toepassingen op ondersteunde cloudomgevingen.

Over deze taak

U modelleert en maakt een toepassing in het blueprintcanvas. Aan de linkerkant van het blueprintcanvas bevinden zich de logische sjablonen van de Application Services-bibliotheek. Aan de rechterkant bevindt zich een lijst met beschikbare services uit de bibliotheek en toepassingsonderdelen. U kunt een logische sjabloon selecteren en deze naar het midden van het blueprintcanvas slepen om uw toepassing te modelleren.

Sla uw wijzigingen regelmatig op. De sessie in de gebruikersinterface van Application Services verloopt na 30 minuten inactiviteit. Als de sessie verloopt, gaan alle wijzigingen die niet zijn opgeslagen verloren.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij Application Services als een toepassingsarchitect.

  • Controleer of er minstens één toepassing in Application Services is gemaakt. Zie Een toepassingsversie maken.

Procedure

  1. Ga naar de titelbalk van Application Services, klik op het vervolgkeuzemenu en selecteer Toepassingen.
  2. Selecteer een bestaande toepassing en open een toepassingsversie.
  3. Klik op Blueprint maken om een toepassingsblueprint te maken.

    Het canvas voor het modelleren van de toepassingsblueprint wordt weergegeven.

  4. Selecteer en sleep een of meer logische sjablonen naar het canvas om knooppunten te maken.

    Om bijvoorbeeld een drielaagse toepassing te maken, kunt u drie items uit de lijst OS-sjablonen naar het canvas slepen of één sjabloon uit de lijst OS-sjablonen, één item uit de lijst Databaseservers en één uit de lijst Toepassingsservers. De namen van de lijsten komen overeen met de tags die aan een sjabloon zijn gekoppeld.

  5. (Optioneel) : Selecteer een van de knooppunten op het canvas en wijzig de naam van het knooppunt op het tabblad Details onder de blueprint.

    Indien de naam van een knooppunt een ander teken dan een letter, cijfer, laag streepje of streepje bevat, wordt dat teken door een streepje vervangen.

    Voor een drielaagse toepassing zou u bijvoorbeeld elk van de drie knooppunten een andere naam kunnen geven, zoals Application_Server, Database_Server en Load_Balancer.

  6. (Optioneel) : Stel een hostnaam in op het tabblad Details onder de blueprint, indien u van plan bent om de toepassing op vCloud Director of vCloud Automation Center te implementeren.

    Deze hostnaam dient als een identifier voor de computernaam van een virtual machine in het netwerk. Indien het tekstvak voor de hostnaam leeg wordt gelaten, genereert Application Services een hostnaam met willekeurige tekens.

    De hostnaam moet aan de volgende naamconventies voldoen:

    • Maximaal 15 tekens.

    • Moet met een letter beginnen.

    • Kan een letter, cijfer of streepje bevatten, maar mag niet met een streepje eindigen.

    • Mag niet dezelfde hostnaam hebben als een ander knooppunt in de toepassingsblueprint.

    • Kan de uitdrukking ${random} bevatten aan het einde van een hostnaam om unieke tekens te genereren.

      Een Apache${random}-hostnaam kan bijvoorbeeld tekens genereren als Apache9INOIK3YT nadat een toepassing is geïmplementeerd. U kunt de hostnaam met unieke tekens op de pagina Implementatiesamenvating bekijken.

    Voor een geclusterd knooppunt mag de hostnaam niet langer zijn dan 15 tekens met de bijgevoegde knooppuntarrayindex. Het geclusterde knooppunt AppServer heeft bijvoorbeeld de volgende hostnamen voor de virtual machines in de clusters: AppServer-1, AppServer-2, etc.

  7. (Optioneel) : Om het standaardaantal CPU's of de hoeveelheid geheugen voor een geïmplementeerde virtual machine te wijzigen, selecteert u het relevante knooppunt op het canvas en bewerkt u de waarden op het tabblad Details onder de blueprint.

    Het tabblad dat onder de blueprint wordt weergegeven, komt overeen met het geselecteerde knooppunt.

    De waarden van de CPU en het geheugen in de blueprint zijn mogelijk niet hetzelfde als de overeenkomstige waarden in de virtual machines die in Amazon EC2 zijn gemaakt. Omdat Amazon EC2 virtual machines met specifieke CPU-geheugencombinaties mogelijk maakt, gebruikt het de waarden die u in een blueprint toewijst voor het bepalen van de best mogelijke overeenkomst.

  8. Selecteer en sleep een of meer services of toepassingsonderdelen naar de knooppunten.

    U kunt bijvoorbeeld de MySQL-service slepen naar een knooppunt van een databaseserver, de JBoss-service naar een knooppunt van een toepassingsserver en een Apache-service naar het knooppunt van de Load Balancer.

    Indien een service of toepassing niet compatibel is met een specifiek knooppunt, kunt u deze niet op het knooppunt neerzetten. U kunt bijvoorbeeld het toepassingsonderdeel SQL SCRIPT naar een MySQL-service slepen, maar u kunt het SQL SCRIPT-onderdeel niet naar een JBoss-service slepen.

    Compatibiliteitsbeperkingen worden gemaakt wanneer de catalogusbeheerder voor toepassingen de ondersteunde besturingssystemen en onderdelen voor een bibliotheekservice instelt. De catalogusbeheerder voor toepassingen kan ook items aan de lijst met besturingssystemen en tags toevoegen die zich al in de bibliotheek bevinden. De MySQL-service in de bibliotheek heeft bijvoorbeeld de ondersteunde onderdelen weergegeven als SQL SCRIPT. Alleen het type SQL SCRIPT-toepassingsonderdeel kan aan de MySQL-service worden toegevoegd.

    Verder heeft MySQL-service de ondersteunde besturingssystemen ingesteld als CentOS32 6.3.0, CentOS64 6.3.0, CentOS32 6.4.0, CentOS64 6.4.0 en Ubuntu32 12.4.2. De MySQL-service kan aan logische sjablonen worden toegevoegd die een van deze besturingssystemen bevatten.

    Opmerking:

    Indien vooraf geïnstalleerde services na het maken van een blueprint aan een logische sjabloon worden toegevoegd, worden de nieuwe vooraf geïnstalleerde services niet aan het knooppunt toegevoegd. In dit geval moet u het knooppunt opnieuw maken en de vooraf geïnstalleerde services toevoegen.

    U kunt de toepassingsonderdelen SCRIPT en Overige aan een knooppunt of elke service toevoegen.

  9. Klik op Opslaan.

Volgende stappen

Configureer de services en toepassingsonderdelen die u aan de toepassingsblueprint hebt toegevoegd. Zie Een toepassingsblueprint configureren.