Wanneer u een toepassing in de cloud implementeert of een geïmplementeerde toepassing in de cloud bijwerkt, worden op de achtergrond diverse processen uitgevoerd. Er worden virtual machines gemaakt en er wordt software voor de virtual machines ingericht. Het is belangrijk dat u het implementatie- en updateproces begrijpt, zodat u eventuele implementatiefouten eenvoudig kunt identificeren en oplossen.

In Application Services kunt u de processen tijdens een implementatie in het uitvoeringsplan bekijken. De inrichtingstaken voor de host- en agentbootstrap worden naast onderdelen voor elk knooppunt weergegeven. Voor toepassingen die worden geïmplementeerd in de vRealize Automation-omgeving, worden naast de host- en agentbootstraptaken ook de inrichtingstaken voor de netwerkbootstrap weergegeven.

Het implementatieproces van een toepassing naar de cloud en het bijwerken van een geïmplementeerde toepassing kent de volgende stappen. Bij samengestelde implementatieprofielen worden deze stappen voor iedere toepassing herhaald.

  1. In Application Services wordt het beleid beoordeeld om te bepalen of het implementatieproces aan de eisen voldoet. Als er een beleidsinstantie die als kritiek is gemarkeerd wordt geschonden, wordt het implementatie- of updateproces gestopt.

  2. Application Services richt de virtual machines in door instanties te maken van de cloudsjablonen die in het implementatieprofiel zijn toegewezen.

    Voor het updateproces om de schaal van een geïmplementeerde toepassing te wijzigen, richt Application Services de geschaalde en geclusterde virtual machines in door dedoor instanties te maken van de cloudsjablonen vanuit de vCloud Director-catalogus of vRealize Automation die zijn toegewezen in het implementatieprofiel. De geschaalde, geclusterde virtual machines gebruiken dezelfde sjablonen die oorspronkelijk zijn toegepast tijdens de implementatie van de toepassing in de cloud. U kunt de sjablonen niet wijzigen wanneer u de geïmplementeerde toepassing bijwerkt.

    De rest van de updateprofielprocessen is hetzelfde als het implementatieproces.

  3. Application Services vraagt de cloudservice netwerkverbindingen tot stand te brengen en IP-adressen voor alle virtual machines in de implementatie te ontvangen. Nadat de IP-adressen zijn toegewezen, worden de virtual machines opnieuw gestart om ervoor te zorgen dat het installatieproces op de juiste manier wordt voltooid. De hostnamen worden afgeleid van de toepassingsblueprint en toegewezen als knooppuntnamen.

    Als er geen hostnaam wordt toegewezen, neemt de hostnaam de logische naam over en wordt daar een reeks willekeurig gegenereerde tekens aan toegevoegd.

  4. Bootstrapscripts in elke virtual machine downloaden de agent van de Application Services-server naar de virtual machine. De agent is een JAR-bestand dat op een Java virtual machine wordt uitgevoerd. Bootstrapscripts moeten op de fysieke sjablonen worden geïnstalleerd.

  5. Het agentproces wordt door het bootstrapscript gestart.

  6. De agent verifieert bij de Application Services-server.

  7. De agent in elke virtual machine downloadt het uitvoeringsplan uit Application Services naar de virtual machine.

  8. De agent voert de installatie- en setuptaken voor elk onderdeel uit, in de volgorde die in het uitvoeringsplan voor de implementatie is opgegeven.

  9. Voor elk script wacht de agent tot de afhankelijke taken zijn voltooid. Daarna wordt de volledige inhoud gedownload naar de directory /tmp/runid/content/ComponentName/PropertyName van de virtual machine en worden de taakscripts gedownload naar de directory /tmp/runid/TaskName. De agent voert de taken uit volgens de parameterwaarden die door de server zijn verzonden. Wanneer een taak is voltooid, informeert de agent de server over de status van de taak.

    Als een script wordt voltooid met de status nonzero exit, wordt die taak door de agent als mislukt gemarkeerd. Anders markeert de agent het script als voltooid en wordt de volgende taak gestart. Wanneer een taak mislukt, wordt de gehele implementatie gestopt en als mislukte implementatie gemarkeerd, en worden er geen toekomstige taken uitgevoerd. De reden voor de fout is beschikbaar op het tabblad Details. Wanneer alle taken zijn gelukt, wordt de implementatie gemarkeerd met de status Implementatie geslaagd.

    Opmerking:

    Om een script zonder onderbrekingen uit te voeren, moet de returnwaarde op nul (0) worden ingesteld. Deze waarde geeft de agent de mogelijkheid om alle berekende eigenschappen vast te leggen en deze naar de Application Services-server te versturen.

Voor het oplossen van problemen kunt u de implementatiedetails of de logbestanden over de inrichtingstaken die in het uitvoeringsplan staan raadplegen. De informatie over de taak wordt in logbestanden vastgelegd voor de scripts voor installeren, configureren, starten, bijwerken, terugdraaien en ontkoppelen die in elk onderdeel van de implementatie zijn gebruikt. In deze logbestanden wordt alle informatie vastgelegd die naar de logbestanden stdout en stderr is verzonden.