Voor een geavanceerde externe service dient u een providerspecificatie te maken. Deze specificatie bestaat uit een of meer scripts waarmee wordt gedefinieerd hoe een externe service kan worden geconfigureerd, bijgewerkt, teruggezet en ontkoppeld in verschillende serviceprovideromgevingen zoals VMware Data Director of Amazon RDS. De providerspecificatie heeft ook eigenschappen die u kunt definiëren om verbinding met de provider te maken en de specifieke parameters voor die provider.

Over deze taak

Op de pagina Bibliotheek > Externe services kunt u voorbeelden zien over hoe u een providerspecificatie voor een externe service kunt maken.

U kunt alleen de instellingen voor het groepslidmaatschap voor de externe service wijzigen. De nieuwe lidmaatschapsinstellingen worden vervolgens ingevoerd in de specificaties van de serviceprovider voor de externe service.

Gebruikers kunnen het groepslidmaatschap van de serviceproviderspecificaties niet afzonderlijk bijwerken.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij Application Services als een cloudbeheerder voor toepassingen en een uitgever en implementator van toepassingen.

  • Raak vertrouwd met de basisconcepten omtrent het definiëren en configureren van eigenschappen en acties van onderdelen. Zie Application Services-onderdelen ontwikkelen.

  • Indien u een script wilt gebruiken dat software vanaf een externe website downloadt, moet u ervoor zorgen dat de virtual machine die u gebruikt voor het implementeren van de toepassing toegang tot een extern netwerk heeft.

  • Controleer of eigenschappen voor de externe serviceversie zijn gedefinieerd. Zie Application Services. Zie Een externe service in de bibliotheek maken.

Procedure

  1. Open een bestaande serviceversie en klik op Providerspecificatieversie maken.
  2. Typ de naam van de providerspecificatie en selecteer Versie maken.
  3. U kunt grote, kleine of microreleaseversies opgeven, met of zonder kwalificaties.

    De naam van de providerspecificatie blijft hetzelfde.

  4. (Optioneel) : Beschrijf in het gedeelte Beschrijving (als u een providerspecificatie voor een specifieke configuratie maakt) de gebruikte configuratie en de van toepassing zijnde vereisten.
  5. Als u de ondersteunde besturingssystemen instelt op Windows of Linux gebaseerde besturingssystemen, zijn in het gedeelte Logische sjablonen de bijbehorende logische sjablonen beschikbaar in het vervolgkeuzemenu.
  6. Voeg van toepassing zijnde eigenschappen toe.
  7. Selecteer een scripttype voor uw actiescript in het vervolgkeuzemenu.

    Voor op Linux gebaseerde toepassingen kunt u Bash- of BeanShell-script gebruiken en voor op Windows gebaseerde toepassingen kunt u Windows CMS-, PowerShell- of BeanShell-script gebruiken.

  8. Klik op de hyperlink in de scriptkolom om het dialoogvenster Script bewerken te openen.

    U kunt het script in het dialoogvenster schrijven of kopiëren.

    Een catalogusbeheerder van toepassingen kan parameters aan de installatie en configuratie van services toevoegen. De eigenschappen die voor een service worden gedefinieerd, kunnen in dat script worden gebruikt.

  9. Klik op de pijl omlaag in het veld scripttype om een type actiescript voor een fase van een levenscyclus te selecteren.
  10. Om de eigenschappen die u hebt gedefinieerd in te voegen, klikt u op de pijl omlaag in de invoeglijst Een eigenschap selecteren.
  11. (Optioneel) :

    Schakel het selectievakje Opnieuw opstarten in om de virtual machine opnieuw te starten nadat het script succesvol is uitgevoerd tijdens een toepassingsimplementatie.

  12. Klik op OK.
  13. In de kolom Opnieuw opstarten schakelt u het selectievakje in zodat de agentbootstrap de virtual machine opnieuw kan opstarten nadat een actiescript is voltooid.

    Nadat de virtual machine opnieuw is gestart, gaat de agent verder naar de volgende fase die in het script voor de levenscyclus van de serviceversie is gedefinieerd.

  14. Klik op Opnieuw instellen om het script te wissen.

    Door deze bewerking wordt niet de lijn voor de fase in de levenscyclus verwijderd.

  15. Wanneer u klaar bent met het maken van de providerspecificatieversie, klikt u op Opslaan.

Resultaten

De versie van de providerspecificatie die u hebt gemaakt, wordt aan de geavanceerde externe service toegevoegd.

Volgende stappen

Het opgeven van definities van externe services heeft geen invloed op implementaties, tenzij u een instantie van een externe service in een implementatieomgeving maakt om de definities van de externe services in te schakelen in alle implementaties in de implementatieomgeving. Zie Een externe service-instantie toewijzen.

Voeg de externe service toe aan de toepassingsblueprint. Zie Een externe service aan een geavanceerde blueprint toevoegen.

Werk externe services bij of kopieer een bestaande externe service. Zie Externe serviceversies onderhouden.