Op de pagina met de samenvatting van de implementatie kunt u het statusvenster Details virtual machine uitvouwen voor specifieke informatie over de virtual machine. U kunt het statusvenster Uitvoeringsplan ook uitvouwen om de inrichtingstaken te zien die worden uitgevoerd op basis van de afhankelijkheden die in de toepassing zijn gedefinieerd.

Over deze taak

Er is informatie beschikbaar met betrekking tot virtual machines, zoals de naam van het knooppunt, logische sjablonen en cloudsjablonen in vCloud Director, vRealize Automation of Amazon EC2, geheugentoewijzing, het aantal CPU's en details over netwerkverbindingen. Daarnaast kunt u de hostnaam zien, zodat u de virtual machine eenvoudig kunt identificeren in de vCloud Director or vRealize Automation-implementaties.

Voorwaarden

Controleer dat er een toepassing is geïmplementeerd of dat een updateproces is gestart. Zie Implementeren met een afzonderlijk implementatieprofiel of Toepassingsimplementaties bijwerken.

Procedure

  1. Om de IP-adressen van virtual machines te vinden, kijkt u in het statusvenster Details virtual machine.

    IP-adressen voor elke virtual machine worden in de kolom IP-adres weergegeven zodra ze worden toegewezen.

    In een toepassing met drie lagen met een knooppunt voor load balancers vindt u bijvoorbeeld het IP-adres van de load balancer en geeft u dat IP-adres aan uw eindgebruikers.

  2. Zoek in de tabel met virtual machines in het statusvenster Details virtual machine naar specifieke agentbootstraplogboeken voor virtual machines.

    Agentbootstraplogboeken voor elke virtual machine worden in de kolom Logboek bijgewerkt. Als het bootstrapproces mislukt, wordt de implementatie als mislukte implementatie gemarkeerd en wordt de reden in het venster Taakdetails weergegeven.

  3. Vouw het venster uit en klik op de knop (...) in de kolom Cloudsjabloon voor specifieke gedetailleerde cloudsjablooninformatie voor virtual machines van vCloud Director, vRealize Automation of Amazon EC2.

    Deze informatie gaat bijvoorbeeld over de schijfgrootte, de CPU en het geheugen.

  4. Vouw het venster uit en klik op de puntjes (...) in de kolom Netwerkinformatie voor netwerkdetails van vCloud Director of Amazon EC2.
  5. Als u de aangepaste eigenschappen wilt weergeven die voor elk knooppunt zijn gedefinieerd om de eigenschappen in de vRealize Automation-blueprint te overschrijven, klikt u op het pictogram Extra configuratie (Aangepaste eigenschappen aan elk vCloud Automation Center-knooppunt toevoegen).
  6. Klik voor een implementatie in uitvoering op Vernieuwen rechts boven in de pagina om de status bij te werken.

    De pagina wordt over circa 30 seconden vernieuwd.

  7. Vouw het statusvenster Uitvoeringsplan uit voor specifieke taakdetails zoals de begintijd, eindtijd en de tijd waarop het laatst is bijgewerkt.

    Voor elke taak worden de onderdelen geïmplementeerd, geïnstalleerd en geconfigureerd nadat de IP-adressen zijn verkregen en de agentbootstrap heeft plaatsgevonden. Deze processen treden op volgens de afhankelijkheden van de toepassing die worden weergegeven door de pijlen tussen de taken in het uitvoeringsplan.

  8. Controleer de status van elke taak.

    Afhankelijk van de status van de taak wordt er een pictogram naast getoond.

    Pictogram

    Beschrijving

    Taak nog niet gestart

    De taak is nog niet gestart of is niet uitgevoerd.

    Taak wordt uitgevoerd

    De taak wordt uitgevoerd. Het statuspictogram wordt weergegeven wanneer een taak met succes is voltooid. Dit pictogram wordt ook weergegeven om de totale voltooiingsstatus van de inrichtingstaken van de host, agentbootstrap en netwerkbootstrap te tonen.

    Vouwt de inrichtingstaken in het uitvoeringsplan uit

    Vouw de details van elke inrichtingstaak uit en bekijk ze.

    Pictogram voor een taak die opnieuw moet worden gestart.

    Taak moet opnieuw worden gestart.

    Taak mislukt

    De taak is mislukt. Het statuspictogram wordt weergegeven wanneer een taak is mislukt. Dit pictogram wordt ook weergegeven om de totale mislukte status van de inrichtingstaak van de host, agentbootstrap of netwerkbootstrap te tonen.

    Vouwt de inrichtingstaken in het uitvoeringsplan uit

    Vouw de logbestanden van een of meer mislukte inrichtingstaken uit en bekijk ze.

    Taak wacht tot een van de afhankelijkheden is uitgevoerd.

    De taak wacht tot een van de afhankelijkheden is uitgevoerd.

  9. Voor details over een onderdeel of actiescript en de bijbehorende eigenschappen vouwt u het statusvenster Uitvoeringsplan uit, klikt u op het pictogram met de pijl (de knop Scriptgegevens) naast de taak en selecteert u Onderdeeleigenschappen weergeven.

    De details die hier worden vermeld, zijn de instellingen en definities die ten tijde van de implementatie in de blueprint stonden.

  10. Als u een fout van een actiescript wilt zien, vouwt u het statusvenster Uitvoeringsplan uit, klikt u op het pictogram met de pijl (de knop Scriptgegevens) naast de taak en selecteert u Actiescript weergeven.
  11. Voor toegang tot de logbestanden over de virtual machine klikt u op het pictogram met de pijl (de knop Scriptgegevens) naast de taak en selecteert u Logbestanden virtual machine weergeven.
  12. Voor toegang tot de eigenschapswaarden voor het script klikt u op het pictogram met de pijl (de knop Scriptgegevens) naast de taak en selecteert u Onderdeeleigenschappen weergeven.
  13. Voor details over bijgewerkte implementaties vouwt u het statusvenster Uitvoeringsplan uit en controleert u de bijgewerkte knooppunten.

    Voor een geschaalde implementatie worden de geclusterde knooppunten die zijn aangepast en de updatescripts van de beïnvloede knooppunten in het uitvoeringsplan weergegeven. De inrichtingstaken van de host, agentbootstrap en netwerkbootstrap worden alleen in het knooppunt dat niet is ingeschaald weergegeven. De afhankelijke knooppunten hebben geen inrichtingstaken.

    Als een updateproces de configuratie van een geïmplementeerde toepassing moet aanpassen, geeft het uitvoeringsplan de updatescripts van de gewijzigde en beïnvloede knooppunten weer.

Volgende stappen

Raadpleeg Een toepassing ontkoppelen van de cloud om een geïmplementeerde toepassing in de cloud te ontkoppelen.

Raadpleeg Een toepassingsimplementatie verwijderen uit Application Services om een implementatierecord uit Application Services te verwijderen.