Eigenschappen worden gebruikt om geïmplementeerde onderdelen te configureren. In sommige gevallen worden ze gebruikt om gevoelige gegevens zoals wachtwoorden op te slaan.

Een WAR-onderdeel moet bijvoorbeeld gevoelige gegevens zoals wachtwoorden opslaan om toegang tot een database te kunnen krijgen. Deze eigenschappen kunnen als Beveiligd worden gemarkeerd. Waarden van beveiligde eigenschappen zijn niet zichtbaar en worden als sterretjes in Application Services weergegeven.

Als een eigenschap van Beveiligd wordt gewijzigd in Niet-beveiligd, wordt in Application Services de waarde van de eigenschap opnieuw ingesteld, met het oog op beveiliging. U moet een nieuwe waarde voor de eigenschap instellen.

Belangrijk:

Als beveiligde eigenschappen worden afgedrukt in het script met behulp van de opdracht echo of andere vergelijkbare opdrachten, worden deze waarden als platte tekst in de logbestanden weergegeven. De waarden in de logbestanden zijn wel zichtbaar.