U kunt een updateproces starten om de configuraties en code van bestaande services in een geïmplementeerde toepassing te bewerken zoals Tomcat en MySQL of toepassingsonderdelen zoals WAR en SQL. Wanneer u de configuraties van een geïmplementeerde toepassing bewerkt, kunt u alleen de eigenschapswaarden configureren.

Over deze taak

Indien u na de eerste implementatie bestaande toepassingsonderdelen of services bewerkt of onderdelen bewerkt die afhankelijke eigenschappen hebben, moet er een updatescript op alle beïnvloede en afhankelijke onderdelen uitgevoerd worden. U definieert de scripts voor de levenscyclusfasen UPDATE en ROLLBACK voor een service of toepassingsonderdeel gedurende de eerste toepassingsimplementatie of in het updateproces.

Indien u bijvoorbeeld in de Clustered Dukes Bank App de eigenschap db_port van de MYSQL-service bewerkt gedurende het implementatie-updateproces, draait het updatescript op de MYSQL-service. Het Dukes_Bank_App-toepassingsonderdeel op het Appserver-knooppunt voert ook het updatescript uit omdat de eigenschap db_port aan de eigenschap db_port van de MYSQL-service gebonden is.

Opmerking:

Gedurende een updateproces kunt u geen installatie-, configuratie- of startscripts bewerken. U kunt alleen het update- of terugdraaiscript configureren.

U kunt ook een updateproces starten om de configuratie en code van services of toepassingsonderdelen vanuit de opdrachtregelinterface te bewerken. Zie Een toepassing implementeren en bijwerken met CLI. Met de REST API's in Application Services kunt u het bewerken van configuraties van een geïmplementeerde toepassing automatiseren. Raadpleeg het REST API's in Application Services gebruiken-document.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij Application Services als een uitgever en implementator van toepassingen.

  • Raak vertrouwd met de basisconcepten omtrent het definiëren en configureren van eigenschappen en acties van onderdelen. Zie Application Services-onderdelen ontwikkelen.

  • Als u een aangepaste taak wilt gaan toevoegen, moet u controleren of er minstens één aangepaste taak in de Application Services-bibliotheek is gemaakt. Zie Een aangepaste taak aan de bibliotheek toevoegen.

  • Controleer of de initiële implementatie met succes naar een cloudomgeving is geïmplementeerd.

    U kunt geen updateproces starten om de configuratie en code van een bestaande service aan te passen via een mislukte implementatie om een geclusterd knooppunt te schalen.

  • De geïmplementeerde toepassing moet minstens één service-eigenschap of eigenschap van een toepassingsonderdeel met de status Overschrijfbaar tijdens implementatie hebben.

Procedure

  1. Ga naar de titelbalk van Application Services, klik op het vervolgkeuzemenu en selecteer Implementaties.
  2. Selecteer een toepassingsimplementatie die met succes is geïmplementeerd.
  3. Open het vervolgkeuzemenu Bewerkingen in de werkbalk en selecteer Bijwerken.

    De pagina Updateprofielen wordt geopend.

  4. Selecteer Updateprofiel maken.

    Het dialoogvenster updateprofiel wordt geopend.

  5. Selecteer Configuratie in het vervolgkeuzemenu updatetype.
  6. Benoem het updateproces voor de configuratie, voeg een beschrijving toe en klik op OK.

    In de beschrijving kunt u informatie over de wijzigingen in deze update toevoegen.

  7. Klik op de blueprintafbeelding om de gemarkeerde afhankelijkheden tussen services of toepassingsonderdelen te bekijken.

    Let op alle afhankelijke onderdelen zodat u een updatescript kunt maken indien dit niet bestaat of bewerk een bestaand script.

  8. Bewerk de toepasselijke eigenschappen en updatescripts vanuit de het tabblad Service of Toepassingsonderdeel.

    Indien de levenscyclusfasen UPDATE en ROLLBACK gedefinieerd zijn, worden de scripts weergegeven met de gekoppelde service of het gekoppelde toepassingsonderdeel. U moet een updatescript maken voor het gewijzigde en afhankelijke onderdeel.

    In het geval van een geclusterd knooppunt worden de wijzigingen, indien u eigenschappen van een service of een toepassingsonderdeel kunt aanpassen, toegepast op alle knooppunten van het cluster.

    Indien u bijvoorbeeld in de Clustered Dukes Bank App de eigenschap db_password in het toepassingsonderdeel initialize_db_script wijzigt, is de eigenschap db_password in de Dukes_Bank_App afhankelijk van het toepassingsonderdeel initialize_db_script. De updatescripts worden op beide uitgevoerd omdat initialize_db_script het gewijzigde onderdeel is en Dukes_Bank_App het beïnvloede onderdeel. Het updatescript voor Dukes_Bank_App wordt op alle knooppunten van het Appserver-cluster uitgevoerd.

  9. (Optioneel) : Vink het selectievakje Opnieuw opstarten aan indien de agent de virtual machine opnieuw moet starten nadat het updatescript succesvol voltooid is en klik op Volgende.

    De updatetaken van de gewijzigde en beïnvloede onderdelen worden in het uitvoeringsplan weergegeven. Het originele uitvoeringsplan wordt gedurende een updateproces niet weergegeven.

  10. (Optioneel) : Voeg de eigenschap APPD_UPDATE_PROPS aan het updatescript toe om een lijst met alle gewijzigde eigenschappen te bekijken.

    Het updatescript wordt niet bewaard en is alleen van toepassing op dat specifieke updateproces. U kunt APPD_UPDATE_PROPS niet als een eigenschapsnaam of een kwalificatie voor een eigenschapsnaam gebruiken.

    Het voorbeeldupdatescript MySQL-service bevat de eigenschap APPD_UPDATE_PROPS om de poort en het wachtwoord van de database te veranderen.

  11. (Optioneel) : Voeg de eigenschap APPD_PREV aan het updatescript toe om de vorige waarde van een eigenschap weer te geven.

    Het updatescript wordt niet bewaard en is alleen van toepassing op dat specifieke updateproces. U kunt APPD_PREV niet als een eigenschapsnaam of een kwalificatie voor een eigenschapsnaam gebruiken.

    Het voorbeeldupdatescript voor de MySQL-service bevat bijvoorbeeld de eigenschap APPD_PREV om de waarde van het databasewachtwoord te bekijken.

  12. (Optioneel) : Klik op de knop Cluster uitvouwen (Cluster uitvouwen) om het geclusterde knooppunt uit te vouwen, selecteer een aangepaste taak en sleep de taak naar elk knooppunt.

    Indien u een eigenschap van een service of een toepassingsonderdeel op een geclusterd knooppunt bewerkt, worden de wijzigingen op alle knooppunten toegepast. U kunt de taakeigenschappen in het dialoogvenster Aangepaste taak toevoegen configureren en uw wijzigingen opslaan.

  13. Controleer het bewerkte geclusterde knooppunt en updatescript in het update-uitvoeringsplan.

    De blauwe stippellijnen in het uitvoeringsplan definiëren een specifieke volgorde waarin de implementatietaken worden uitgevoerd.

    Klik op de pijl omlaag naast het configuratie-updatescript voor het weergeven van de scriptdetails of de variabeledefinities die in het script worden gebruikt.

  14. Controleer het bewerkte geclusterde knooppunt en updatescript in het terugdraai-uitvoeringsplan en klik op Volgende.

    De blauwe stippellijnen in het uitvoeringsplan definiëren een specifieke volgorde waarin de implementatietaken worden uitgevoerd.

    Klik op de pijl omlaag naast het configuratie-updatescript voor het weergeven van de scriptdetails of de variabeledefinities die in het script worden gebruikt.

  15. Controleer de gewijzigde en beïnvloede onderdelen in de update.

    De aangepaste eigenschappen en afhankelijke eigenschappen zijn gemarkeerd.

  16. Klik op Bijwerken om de aangepaste configuratie voor de toepassing te implementeren.

Resultaten

Het updateproces implementeert de geconfigureerde implementatie in de cloud.

Volgende stappen

Controleer de status van de implementatie op de pagina met de samenvatting van de implementatie. Zie De pagina Implementatiesamenvatting gebruiken.

Kom meer te weten over de processen die op de achtergrond plaatsvinden wanneer de geïmplementeerde toepassing op de cloud wordt bijgewerkt. Zie Het implementatie- en updateproces begrijpen.