Met geneste blueprints kunt u de controle over het hergebruik en de modulariteit in machine-inrichting behouden, maar hiervoor is wel inzicht in specifieke regels en voorschriften nodig. Een geneste blueprint is een blueprint die u aan een andere blueprint toevoegt en als een onderdeel in die andere blueprint gebruikt.

Blueprints kunnen andere blueprints verbruiken als onderdelen. Naar een blueprint die een of meer geneste blueprints bevat, worden verwezen als een buitenste blueprint. Of om het met andere woorden te zeggen, als u een blueprint als een onderdeel toevoegt aan het ontwerpcanvas terwijl u een andere blueprint maakt of bewerkt, wordt naar het blueprintonderdeel verwezen als een geneste blueprint en wordt naar de containerblueprint waaraan deze is toegevoegd, verwezen als de buitenste blueprint.

De instellingen die in de buitenste blueprint zijn gedefinieerd, krijgen voorrang boven instellingen in de geneste blueprint. Opgeslagen instellingen in de geneste blueprint worden weergegeven in de buitenste blueprint, behalve bij opgegeven instellingen in de buitenste blueprint die voorrang hebben boven instellingen in de geneste blueprint.

Ingerichte implementaties geven de huidige status van de blueprint weer op het moment van de inrichting. Op het moment van de inrichting bevat de resulterende implementatie de huidige waarden van de blueprint, inclusief de waarden van de geneste blueprints. Zodra de implementatie is gemaakt, wordt deze losgekoppeld van eventuele wijzigingen die daarna worden gemaakt in de blueprint waarvan de implementatie werd ingericht.

Als u geneste blueprints gebruikt, moet u rekening houden met voorschriften die niet altijd duidelijk zijn. Het is belangrijk dat u de volgende regels en voorschriften voor geneste blueprints begrijpt zodat u de opties voor machine-inrichting optimaal kunt gebruiken:

  • Alle netwerk- en beveiligingsonderdelen in buitenste blueprints kunnen worden gekoppeld aan machines die in geneste blueprints zijn gedefinieerd.

  • Als app-isolatie wordt toegepast in de buitenste blueprint, overschrijft dit de instellingen voor app-isolatie die in geneste blueprints zijn opgegeven.

  • Transportzone-instellingen die in de buitenste blueprint zijn gedefinieerd, overschrijven de transportzone-instellingen die in geneste blueprints zijn opgegeven.

  • Als een best practice om de complexiteit van blueprints te verminderen, beperkt u blueprints tot maximaal drie diepteniveaus waarbij de blueprint op het bovenste niveau als een van de drie niveaus geldt.

  • Voor een geneste blueprint die een netwerkonderdeel NAT op aanvraag bevat, zijn de IP-bereiken die in dit netwerkonderdeel NAT op aanvraag zijn opgegeven, niet bewerkbaar in de buitenste blueprint.

  • De buitenste blueprint mag geen binnenste blueprint bevatten die instellingen voor netwerken op aanvraag of instellingen voor load balancers op aanvraag bevat. Het gebruik van een binnenste blueprint die een onderdeel voor NSX-netwerken op aanvraag of een onderdeel voor NSX-load balancers bevat, wordt niet ondersteund.

  • Voor een geneste blueprint die NSX-netwerkonderdelen of -beveiligingsonderdelen bevat, kunt u de gegevens van het netwerkprofiel of het beveiligingsprofiel die in de geneste blueprint zijn opgegeven, niet wijzigen. U kunt deze instellingen echter wel hergebruiken voor andere vSphere-machineonderdelen die u aan de buitenste blueprint toevoegt.

  • Als een gebruiker rechten heeft voor de bovenste blueprint, dan heeft die gebruiker rechten voor alle aspecten van de blueprint, inclusief geneste blueprints.

  • U kunt een goedkeuringsbeleid toepassen op een blueprint. Indien goedgekeurd, worden het blueprintcatalogusitem en alle onderdelen ervan, inclusief geneste blueprints, ingericht. U kunt ook verschillende goedkeuringsbeleidsregels toepassen op verschillende onderdelen. Alle goedkeuringsbeleidsregels moeten worden goedgekeurd voordat de aangevraagde blueprint wordt ingericht.

  • Om ervoor te zorgen dat NSX-netwerkonderdelen en -beveiligingsonderdelen in geneste blueprints een unieke naam krijgen in een samengestelde blueprint, voegt vRealize Automation de geneste blueprint-id als een voorvoegsel toe aan de namen van de netwerk- en beveiligingsonderdelen die nog niet uniek zijn. Als u bijvoorbeeld een blueprint met de id-naam xbp_1 aan een buitenste blueprint toevoegt, en beide blueprints bevatten een onderdeel beveiligingsgroep op aanvraag genaamd OD_Security_Group_1, dan wordt de naam van het onderdeel in de geneste blueprint gewijzigd in xbp_1_OD_Security_Group_1 in het ontwerpcanvas van de blueprint. Er worden geen voorvoegsels toegevoegd aan de namen van de netwerk- en beveiligingsonderdelen in de buitenste blueprint.

  • U kunt de naam van een geneste blueprint wijzigen, maar u kunt niet de naam van een machineonderdeel of van een ander onderdeel wijzigen in een geneste blueprint wanneer u in de buitenste blueprint werkt.

  • Wanneer u in een buitenste blueprint werkt, kunt u load balancer-instellingen configureren ten opzichte van netwerkonderdeelinstellingen en machineonderdeelinstellingen die zijn geconfigureerd in een interne of geneste blueprint.

  • Wanneer u in een buitenste blueprint werkt, kunt u de machinebroninstellingen overschrijven die zijn geconfigureerd voor een machineonderdeel in een geneste blueprint.

  • Wanneer u in een buitenste blueprint werkt, kunt u geen aangepaste eigenschappen voor een machineonderdeel in een geneste blueprint toevoegen of verwijderen. U kunt deze aangepaste eigenschappen echter wel bewerken. U kunt geen eigenschapsgroepen voor een machineonderdeel in een geneste blueprint toevoegen, bewerken of verwijderen.

  • Wanneer u in een buitenste blueprint werkt, kunt u een softwareonderdeel naar een machineonderdeel in een geneste blueprint slepen en daar neerzetten.