Hier volgt een overzicht van de instellingen en opties die u kunt configureren voor OpenStack-machineonderdelen in het ontwerpcanvas van vRealize Automation-blueprints.

Tabblad Algemeen

Hier configureert u algemene instellingen voor een OpenStack-machineonderdeel.

Tabel 1. Instellingen tabblad Algemeen

Instelling

Beschrijving

Id

Voer een naam in voor uw machineonderdeel of accepteer de standaardwaarde.

Beschrijving

Vat uw machineonderdeel samen ten behoeve van andere architecten.

Locatie op verzoek weergeven

In een cloudomgeving, zoals vCloud Air, kunnen gebruikers een regio selecteren voor hun ingerichte machines.

Voor een virtuele omgeving, zoals vSphere, kunt u de locatiefunctie configureren. Hiermee mogen gebruikers een specifieke datacenterlocatie selecteren voor het inrichten van een aangevraagde machine. Om deze optie volledig te configureren, voegt een systeembeheerder locatiegegevens over het datacenter toe aan een locatiebestand en bewerkt een materiaalbeheerder een computerbron om deze aan een locatie te koppelen.

Zie Scenario: datacenterlocaties toevoegen voor interregionale implementaties en Scenario: een locatie toewijzen aan een computerbron voor interregionale implementaties.

Reserveringsbeleid

Pas een reserveringsbeleid toe op een blueprint om het aantal machines dat op basis van die blueprint wordt ingericht, te beperken tot een subset met beschikbare reserveringen. Materiaalbeheerders maken reserveringsbeleidsregels om optionele en nuttige middelen te bieden om de verwerking van reserveringsaanvragen te beheren. Zo kunnen bijvoorbeeld bronnen in groepen voor verschillende serviceniveaus worden verzameld of wordt een bepaald brontype gemakkelijk beschikbaar gemaakt voor een bepaald doel. Als uw materiaalbeheerder geen reserveringsbeleidsregels heeft geconfigureerd, ziet u geen beschikbare opties in het vervolgkeuzemenu.

Voor informatie over het maken van reserveringsbeleidsregels gaat u naar Een reserveringsbeleid configureren.

Machinevoorvoegsel

Machinevoorvoegsels worden gemaakt door materiaalbeheerders en worden gebruikt om de namen van ingerichte machines te maken. Als u Standaardinstelling van groep gebruiken selecteert, krijgen machines die vanaf uw blueprint zijn ingericht, een naam in overeenstemming met het machinevoorvoegsel dat als standaardwaarde voor de bedrijfsgroep van de gebruiker is geconfigureerd. Als geen machinevoorvoegsel wordt geconfigureerd, wordt er een voor u gegenereerd op basis van de naam van de bedrijfsgroep.

Als uw materiaalbeheerder andere machinevoorvoegsels configureert die u kunt selecteren, dan kunt u één voorvoegsel toepassen op alle machines die vanaf uw blueprint zijn ingericht, ongeacht wie de aanvrager is.

Voor informatie over het maken van machinevoorvoegsels gaat u naar Machinevoorvoegsels configureren.

Instanties: Minimum en Maximum

Om clustering te ondersteunen, kunt u meerdere instanties van hetzelfde machineonderdeel als deel van uw blueprint inrichten. Voer een minimum- en een maximumwaarde in om gebruikers de keuze te geven tussen een bereik van instanties.

Tabblad Versie-informatie

Hier configureert u instellingen voor de versie-informatie van een OpenStack-machineonderdeel.

Tabel 2. Tabblad Versie-informatie

Instelling

Beschrijving

Blueprinttype

Voor administratieve doeleinden en licentiedoeleinden selecteert u of machines die vanaf deze blueprint zijn ingericht, worden geclassificeerd als Desktop of als Server.

Inrichtingswerkstroom

De volgende inrichtingswerkstromen zijn beschikbaar voor een OpenStack-machineonderdeel:

  • CloudLinuxKickstartWorkflow

    Richt een machine in door op te starten vanuit een ISO-image en vervolgens een Kickstart- of autoYaSt-configuratiebestand en een distributie-image voor Linux te gebruiken om het besturingssysteem op de machine te installeren.

  • CloudProvisioningWorkflow

    Maak een machine door te starten vanaf een virtual machine-instantie of een op de cloud gebaseerde installatiekopie.

  • CloudWIMImageWorkflow

    Richt een machine in door op te starten in een WinPE-omgeving en een besturingssysteem te installeren met behulp van een WIM-image (Windows Imaging File Format) van een bestaande Windows-referentiemachine.

    Voor blueprints met een WIM-inrichtingswerkstroom moet de opgegeven opslagwaarde rekening houden met de grootte van elke schijf die op de machine wordt gebruikt. Gebruik de totale waarde van alle schijven als minimumopslagwaarde voor het machineonderdeel. Zorg er tevens voor dat elke schijf groot genoeg is om het besturingssysteem te kunnen huisvesten.

OpenStack-installatiekopie

Selecteer een beschikbare installatiekopie van een OpenStack-machine. Een installatiekopie van een OpenStack-machine is een sjabloon met een softwareconfiguratie, inclusief besturingssysteem. De installatiekopieën van machines worden beheerd door OpenStack-accounts.

Sleutelpaar

Sleutelparen zijn optioneel voor inrichting met OpenStack.

Sleutelparen worden gebruikt om een cloudinstantie in te richten en ermee verbinding te maken. Daarnaast worden ze gebruikt voor de ontsleuteling van Windows-wachtwoorden en de aanmelding bij Linux-machines.

Voor sleutelparen zijn de volgende opties beschikbaar:

  • Niet opgegeven

    Hiermee wordt het gedrag bepaald van het sleutelpaar op het niveau van de blueprint in plaats van het niveau van de reservering.

  • Automatisch gegenereerd per bedrijfsgroep

    Hiermee bepaalt u dat elke machine die in dezelfde bedrijfsgroep wordt ingericht, hetzelfde sleutelpaar heeft, inclusief machines die in andere reserveringen worden ingericht wanneer de machines dezelfde computerbron en bedrijfsgroep hebben. Omdat de sleutelparen zijn gekoppeld aan een bedrijfsgroep, worden de sleutelparen verwijderd, wanneer de bedrijfsgroep wordt verwijderd.

  • Automatisch gegenereerd per machine

    Hiermee bepaalt u dat elke machine een uniek sleutelpaar heeft. De optie voor automatisch genereren per machine is de veiligste methode omdat er geen sleutelparen worden gedeeld tussen machines onderling.

Soorten

Selecteer een of meer OpenStack-soorten. Een OpenStack-soort is een virtuele hardwaresjabloon waarmee de specificaties van machinebronnen worden gedefinieerd voor instanties die in OpenStack zijn ingericht. Soorten worden beheerd door de OpenStack-provider en worden geïmporteerd tijdens het verzamelen van gegevens.

Tabblad Machinebronnen

Hier geeft u instellingen op voor de gebruikte CPU's, geheugenbronnen en opslagbronnen van het OpenStack-machineonderdeel.

Tabel 3. Tabblad Machinebronnen

Instelling

Beschrijving

CPU's: Minimum en Maximum

Geef aan hoeveel CPU's er minimaal en maximaal kunnen worden ingericht door dit machineonderdeel.

Geheugen (MB): Minimum en Maximum

Geef aan hoeveel geheugen er minimaal en maximaal mag worden verbruikt door machines die worden ingericht door dit machineonderdeel.

Opslag (MB): Minimum en Maximum

Geef aan hoeveel opslagruimte er minimaal en maximaal mag worden verbruikt door machines die worden ingericht door dit machineonderdeel. Voor vSphere, KVM (RHEV), SCVMM, vCloud Air, en vCloud Director wordt de minimumopslag ingesteld op basis van wat u invoert op het tabblad Opslag.

Voor blueprints met een WIM-inrichtingswerkstroom moet de opgegeven opslagwaarde rekening houden met de grootte van elke schijf die op de machine wordt gebruikt. Gebruik de totale waarde van alle schijven als minimumopslagwaarde voor het machineonderdeel. Zorg er tevens voor dat elke schijf groot genoeg is om het besturingssysteem te kunnen huisvesten.

Tabblad Eigenschappen

Hier kunt u desgewenst aangepaste gegevens opgeven voor eigenschappen en eigenschapsgroepen van het OpenStack-machineonderdeel.

Via het tabblad Eigenschappen kunt u aangepaste eigenschappen afzonderlijk of groepsgewijs toevoegen aan het machineonderdeel. U kunt het tabblad Eigenschappen ook gebruiken om aangepaste eigenschappen en eigenschapsgroepen toe te voegen aan de algemene blueprint die u maakt of bewerkt met behulp van de pagina's Nieuwe blueprint of Blueprinteigenschappen.

Via het tabblad Aangepaste eigenschappen kunt u opties voor bestaande aangepaste eigenschappen toevoegen en instellen. Aangepaste eigenschappen worden bij vRealize Automation geleverd, maar u kunt ook nieuwe eigenschapsdefinities toevoegen.

Tabel 4. Instellingen tabblad Eigenschappen > Aangepaste eigenschappen

Instelling

Beschrijving

Naam

Voer de naam van de aangepaste eigenschap in of selecteer een beschikbare aangepaste eigenschap in het vervolgkeuzemenu. Voer bijvoorbeeld de aangepaste eigenschapsnaam Machine.SSH in om op te geven of machines die worden ingericht met deze blueprint SSH-verbindingen toestaan. Eigenschappen worden alleen weergegeven in het vervolgkeuzemenu als uw tenantbeheerder of materiaalbeheerder eigenschapsdefinities heeft gemaakt.

Waarde

Typ of bewerk de waarde die u wilt koppelen aan de naam van de aangepaste eigenschap. Stel de waarde bijvoorbeeld in op true, zodat gebruikers aan wie rechten zijn verleend, verbinding kunnen maken via SSH met machines die zijn ingericht met uw blueprint.

Gecodeerd

U kunt ervoor kiezen om de eigenschapswaarde te coderen, bijvoorbeeld als de waarde een wachtwoord is.

Overschrijfbaar

U kunt opgeven dat de eigenschapswaarde kan worden overschreven door de volgende persoon of hierop volgende persoon die de eigenschap gebruikt. Dit is normaal gesproken een andere architect, maar als u Weergeven in aanvraag selecteert, kunnen uw zakelijke gebruikers eigenschapswaarden weergeven en bewerken wanneer ze catalogusitem aanvragen.

Weergeven in aanvraag

Als u de eigenschapsnaam en -waarde aan uw eindgebruikers wilt tonen, kunt u ervoor kiezen om de eigenschap op het aanvraagformulier weer te geven bij aanvragen voor het inrichten van machines. U moet ook Overschrijfbaar selecteren als u wilt dat gebruikers een waarde opgeven.

Via het tabblad Eigenschapsgroepen kunt u instellingen voor bestaande aangepaste eigenschapsgroepen toevoegen en instellen. U kunt zelf eigenschapsgroepen maken of eigenschapsgroepen gebruiken die voor u zijn gemaakt.

Tabel 5. Instellingen tabblad Eigenschappen > Eigenschapsgroepen

Instelling

Beschrijving

Naam

Selecteer een beschikbare eigenschapsgroep in het vervolgkeuzemenu.

Naar boven en Naar beneden

Maak een hiërarchische sortering van de eigenschapsgroepen in aflopende volgorde. De eerste eigenschapsgroep in de lijst krijgt dan voorrang boven de tweede eigenschapsgroep in de lijst, enzovoort.

Eigenschappen weergeven

Geef de aangepaste eigenschappen in de geselecteerde eigenschapsgroep weer.

Samengevoegde eigenschappen weergeven

Hiermee worden alle aangepaste eigenschappen van de weergegeven eigenschapsgroepen weergegeven in volgorde waarin ze worden weergegeven in de lijst met eigenschapsgroepen. Als dezelfde eigenschap in meerdere eigenschapsgroepen tegelijk voorkomt, wordt de eigenschapsnaam maar één keer in de lijst opgenomen, en wel op de positie waarin deze voor de eerste keer in de lijst werd aangetroffen.