Configureer en publiceer een Softwareonderdeel dat andere softwarearchitecten, IaaS-architecten en toepassingsarchitecten kunnen gebruiken om toepassingsblueprints samen te stellen.

Voordat u begint

Meld u aan bij de vRealize Automation-console als softwarearchitect.

Procedure

  1. Selecteer Ontwerpen > Softwareonderdelen.
  2. Klik op het pictogram Toevoegen (Toevoegen).
  3. Voer een naam in en desgewenst een beschrijving.

    Op basis van de opgegeven naam voor het Software-onderdeel genereert vRealize Automation voor het Software-onderdeel een unieke id voor de tenant. U kunt dit veld nu bewerken, maar u kunt het niet meer wijzigen nadat u de blueprint hebt opgeslagen. Omdat id's permanent en uniek zijn in uw tenant, kunt u deze gebruiken om via een programma met blueprints te communiceren en eigenschapsbindingen te maken.

  4. (Optioneel) : Als u wilt beheren hoe uw Softwareonderdeel wordt toegevoegd aan blueprints, selecteert u een type container in het vervolgkeuzemenu Container.

    Optie

    Beschrijving

    Machines

    Uw Softwareonderdeel moet direct op een machine worden geplaatst.

    Een van uw gepubliceerde Softwareonderdelen

    Als u een Softwareonderdeel ontwerpt dat specifiek moet worden geïnstalleerd op een ander Softwareonderdeel dat u hebt gemaakt, selecteert u het betreffende Softwareonderdeel in de lijst. Als u bijvoorbeeld een EAR-onderdeel ontwerpt dat moet worden geïnstalleerd op een eerder gemaakt JBOSS-onderdeel, selecteert u het JBOSS-onderdeel in de lijst.

    Softwareonderdelen

    Als u een Softwareonderdeel ontwerpt dat niet rechtstreeks op een machine moet worden geïnstalleerd, maar dat in verschillende Softwareonderdelen kan worden geïnstalleerd, selecteert u de optie Softwareonderdelen. Als u bijvoorbeeld een WAR-onderdeel ontwerpt en dit wilt installeren in uw Tomcat Server Software-onderdeel en uw Tcserver Software-onderdeel, selecteert u het containertype Softwareonderdelen.

  5. Klik op Volgende.
  6. Definieer eigenschappen die u wilt gebruiken in uw scripts voor installatie, configuratie, starten of verwijderen.
    1. Klik op het pictogram Toevoegen (Toevoegen).
    2. Voer een naam in voor de eigenschap.
    3. Voer een beschrijving in voor de eigenschap.

      Deze beschrijving wordt weergegeven voor architecten die uw Softwareonderdeel in blueprints gebruiken.

    4. Selecteer het verwachte type voor de waarde van uw eigenschap.
    5. Geef de waarde voor uw eigenschap op.

      Optie

      Beschrijving

      De waarde gebruiken die u nu opgeeft

      • Voer een waarde in.

      • Schakel Overschrijfbaar uit.

      • Selecteer Vereist.

      Vereisen dat architecten een waarde opgeven

      • Voer een waarde in als u een standaardwaarde wilt leveren.

      • Schakel Overschrijfbaar in.

      • Selecteer Vereist.

      Architecten toestaan om een waarde op te geven als ze dit willen

      • Voer een waarde in als u een standaardwaarde wilt leveren.

      • Schakel Overschrijfbaar in.

      • Schakel Vereist uit.

      Architecten kunnen de Softwareeigenschappen zo configureren dat deze in het aanvraagformulier aan gebruikers worden getoond. Architecten kunnen de optie Weergeven in aanvraag gebruiken om te vereisen of aan te vragen dat gebruikers waarden invullen voor eigenschappen die u als overschrijfbaar aanduidt.

  7. Volg de prompts en geef een script op voor ten minste een van de acties voor de levenscyclus van de software.

    Voeg status- en afsluitcodes voor uw script toe. Elk ondersteunde scripttype heeft unieke vereisten voor afsluit- en statuscodes.

    Scripttype

    Geslaagde status

    Foutstatus

    Niet-ondersteunde opdrachten

    Bash

    • return 0

    • exit 0

    • return non-zero

    • exit non-zero

    Geen

    Windows CMD

    exit /b 0

    exit /b non-zero

    Geen exit 0- of exit non-zero-codes gebruiken.

    PowerShell

    exit 0

    exit non-zero;

    Geen warning-, verbose-, debug- of host-aanroepen gebruiken.

  8. Schakel het selectievakje Opnieuw opstarten in voor scripts waarvoor het vereist is dat de machine opnieuw wordt opgestart.

    Nadat het script is uitgevoerd, wordt de machine opgestart voordat het volgende levenscyclusscript wordt gestart.

  9. Klik op Voltooien.
  10. Selecteer het Software-onderdeel en klik op Publiceren.

Resultaten

U hebt een Softwareonderdeel geconfigureerd en gepubliceerd. Andere softwarearchitecten, IaaS-architecten en toepassingsarchitecten kunnen dit Softwareonderdeel gebruiken om software toe te voegen aan toepassingsblueprints.

Volgende stappen

Voeg uw gepubliceerde Softwareonderdeel toe aan een toepassingsblueprint. Zie Toepassingsblueprints samenstellen.