Gebruikers met de juiste machtigingen kunnen aangepaste eigenschappen opgeven voor blueprints, endpoints, bedrijfsgroepen en reserveringen. Als dezelfde eigenschap in meer dan één bron bestaat, dan volgt vRealize Automation een specifieke voorrangsvolgorde bij het toepassen van eigenschappen op de machine.

U kunt aangepaste eigenschappen die van toepassing zijn op ingerichte machines, toevoegen aan de volgende elementen:

  • Een reservering, om de aangepaste eigenschappen toe te passen op alle machines die vanaf die reservering zijn ingericht.

  • Een bedrijfsgroep, om de aangepaste eigenschappen toe te passen op alle machines die door bedrijfsgroepsleden zijn ingericht.

  • Een blueprint, om de aangepaste eigenschappen toe te passen op alle machines die vanaf die blueprint zijn ingericht.

  • Eigenschapsgroepen, die in een blueprint kunnen worden opgenomen, om alle aangepaste eigenschappen in de groep toe te passen op alle machines die vanaf de blueprint zijn ingericht.

    Een blueprint kan één of meer eigenschapsgroepen bevatten.

  • Een machineaanvraag om de aangepaste eigenschappen toe te passen op de ingerichte machine.

  • Een goedkeuringsbeleid, als geavanceerde goedkeuringsondersteuning is ingeschakeld, om van goedkeurders te vereisen dat ze waarden leveren voor de machine die wordt goedgekeurd.

De volgende lijst toont de voorrangsvolgorde voor aangepaste eigenschappen. Een eigenschapswaarde die is opgegeven in een bron die lager in de lijst staat, heeft voorrang op een waarde voor dezelfde eigenschap die is opgegeven in een bron die hoger in de lijst staat.

Opmerking:

Als een conflict bestaat tussen de naam van een door vRealize Automation geleverde aangepaste eigenschap en de naam van een door de gebruiker gedefinieerde eigenschap, krijgt de naam van de door vRealize Automation geleverde aangepaste eigenschap voorrang.

  1. Eigenschapsgroep

  2. Blueprint

  3. Bedrijfsgroep

  4. Computerbron

  5. Reserveringen

  6. Endpoint

  7. Runtime

Deze volgorde wordt verder als volgt verduidelijkt:

  1. Aangepaste eigenschappen en groepen op niveau van de algemene blueprint

  2. Aangepaste eigenschappen en groepen op onderdeelniveau

  3. Aangepaste eigenschappen voor de bedrijfsgroep

  4. Aangepaste eigenschappen voor de computerbron

  5. Aangepaste eigenschappen voor de reservering

  6. Aangepaste eigenschappen voor het endpoint

  7. Aangepaste eigenschappen op niveau van de geneste-blueprintaanvraag

  8. Aangepaste eigenschappen op niveau van de onderdeelaanvraag

Een runtime-eigenschap krijgt voorrang boven andere eigenschappen. Een runtime-eigenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • De eigenschap is gemarkeerd als Vragen aan gebruiker. Dit geeft aan dat de gebruiker een waarde voor de eigenschap moet leveren bij het aanvragen van een machine. Dit vereist dat een machineaanvrager individuele kenmerken van elk machine aanpast of dat deze de mogelijkheid heeft om dit te doen wanneer een standaardwaarde voor de eigenschap is opgegeven.

  • Een bedrijfsgroepbeheerder vraagt een machine aan en de eigenschap verschijnt in de lijst met aangepaste eigenschappen op de pagina Aanvraag voor machine bevestigen.