vRealize Automation 7.0 en hoger bevat verschillende wijzigingen in de architectuur voor een eenvoudigere configuratie en implementatie.

Wijzigingen in de architectuur

  • De toepassingsdatabase wordt nu automatisch in de toepassing geclusterd. U hoeft niet langer een load balancer voor een externe database of DNS-vermelding te gebruiken. Detectie van de hoofddatabaseserver wordt intern in de toepassing afgehandeld. Handmatige failover is nog steeds vereist en kan worden uitgevoerd via de beheerconsole van de virtuele toepassing.

  • De instantie van vRealize Orchestrator wordt nu automatisch in de toepassing geclusterd. In 7.0 en hoger kunt u de instantie van vRealize Orchestrator binnen de vRealize Automation-toepassingen gebruiken als deze zijn geconfigureerd met hoge beschikbaarheid.

  • Verificatie wordt nu verwerkt door een ingebouwde instantie van VMware Identity Manager, onder de naam Beheer van directory's, in vRealize Automation. Er hoeft niet langer een Identity Appliance, vCenter SSO of Platform Services Controller te worden ge├»mplementeerd.

  • De functionaliteit vRealize Application Services is samengevoegd met vRealize Automation. De toepassing vRealize Application Services bestaat niet meer.

Wijzigingen in de implementatie

  • Voor de implementatie van vRealize Automation zijn twee endpoints met taakverdeling minder nodig, aangezien de toepassingsdatabase en een externe SSO-provider niet meer hoeven te worden uitgebalanceerd.

  • Vier virtual machines kunnen voor de meeste implementaties mogelijk uit het totaalplaatje worden verwijderd, hoewel voor sommige situaties nog steeds een vRealize Orchestrator-instantie wordt aangeraden.