Hierdoor wordt een PowerShell-opdracht uitgevoerd.

Tabel 1. Invoerparameters voor de activiteit InvokePowerShell

Argument

Type

Beschrijving

CommandText

String

Opdracht die wordt uitgevoerd.

Arguments

IEnumerable<string>

(Optioneel) Argumenten bij de opdracht.

Input

IEnumerable

(Optioneel) De pijplijn voor de invoer.

IsScript

bool

(Optioneel) Geeft aan of CommandText een script is. De standaardwaarde is niet waar.

Deze optie is alleen beschikbaar in het deelvenster Eigenschappen en niet in het deelvenster Designer.

Parameters

Collection

(Optioneel) Verzameling van gepaarde namen en waarden die worden doorgegeven als parameters aan het PowerShell-script.

Deze optie is alleen beschikbaar in het deelvenster Eigenschappen en niet in het deelvenster Designer.

PowerShellVariables

Collection

(Optioneel) Variabelen die worden gekopieerd in PowerShell-runtime.

Deze optie is alleen beschikbaar in het deelvenster Eigenschappen en niet in het deelvenster Designer.

PSModules

IEnumerable<string>

(Optioneel) Modules die zijn geladen in PowerShell-runtime tijdens de uitvoering van de opdracht.

Deze optie is alleen beschikbaar in het deelvenster Eigenschappen en niet in het deelvenster Designer.

Runspace

Runspace

(Optioneel) Wanneer u een PowerShell-runspace maakt en deze aan dit argument toevoegt, kunt u dezelfde runspace hergebruiken in meerdere PowerShell-aanroepen, wat kan leiden tot betere prestaties.

Deze optie is alleen beschikbaar in het deelvenster Eigenschappen en niet in het deelvenster Designer.

Tabel 2. Uitvoerparameters voor de activiteit InvokePowerShell

Argument

Type

Beschrijving

Output

Collection<PSObject>

Uitvoer van de opdracht, indien aanwezig. Veroorzaakt een uitzondering als er een fout optreedt.

Errors

Collection<ErrorRecord>

Fouten ten gevolge van de uitvoering, indien aanwezig.

Als u het foutbericht Type PSObject is niet gedefinieerd ontvangt in de vRealize Automation Designer-console wanneer u werkt met de uitvoer van ExecutePowerShellScript, gaat u als volgt te werk:

  1. Klik op Imports links onderin het deelvenster Designer.

  2. Selecteer de samenstelling System.Management.Automation.