Een systeembeheerder moet minimaal één vRealize Automation EPI-agent installeren voor het beheer van de communicatie met HP Server Automation. U kunt de agent op elke locatie installeren, zoals de vRealize Automation-server of de HP Server Automation-server, zo lang de agent maar met beide servers kan communiceren.

Voordat u begint

  • Controleer of de HP Server Automation PowerShell-module en uw EPI-agent op dezelfde host zijn geïnstalleerd. Als de EPI-agent eerder is geïnstalleerd dan de module, moet de agentservice opnieuw worden gestart nadat de module is geïnstalleerd. Zie De HP Server Automation PowerShell-module installeren.

  • De agent moet worden geïnstalleerd op Windows Server 2008 SP1, Windows Server 2008 SP2 (32- of 64-bits), Windows Server 2008 R2-systeem of Windows 2012 met .NET 4.5.

  • Voor de agent moeten verificatiegegevens met beheerderstoegang worden gebruikt voor alle HP Server Automation-hosts waarmee de agent communiceert.

  • Installeer de IaaS-onderdelen, inclusief de Manager Service en website.

  • Zie vRealize Automation 7.1 installeren voor volledige informatie over het installeren van vRealize Automation-agenten.

  • Meld u aan bij de vRealize Automation-console als systeembeheerder.

Over deze taak

Procedure

  1. Selecteer Aangepaste installatie en Proxyagent op de pagina met installatietypen.
  2. Accepteer de hoofdinstallatielocatie of klik op Wijzigen en selecteer een installatiepad.
  3. Klik op Volgende.
  4. Meld u aan met beheerdersprivileges voor de Windows-services op de installatiemachine.

    De service moet op dezelfde installatiemachine worden uitgevoerd.

  5. Klik op Volgende.
  6. Selecteer EPIPowerShell in de lijst met agenttypen.
  7. Voer een id voor deze agent in het tekstvak Agentnaam in.

    Houd de agentnaam, verificatiegegevens, endpointnaam en platforminstantie voor elke agent bij. U hebt deze informatie nodig om endpoints te configureren en om hosts toe te voegen in de toekomst.

    Belangrijk:

    Voor een hoge beschikbaarheid kunt u redundante agenten toevoegen en ze op een identieke manier configureren. Anders zorgt u ervoor dat de agenten uniek blijven.

    Optie

    Beschrijving

    Redundante agent installeren

    Installeer redundante agenten op verschillende servers.

    Geef redundante agenten dezelfde naam en configureer ze op een identieke manier.

    Eén agent installeren

    Selecteer een unieke naam voor deze agent.

  8. Configureer een verbinding met het Manager Service-onderdeel.

    Optie

    Beschrijving

    Als u een load balancer gebruikt

    Voer de volledig gekwalificeerde domeinnaam en het poortnummer van de load balancer voor het Manager Service-onderdeel in. Bijvoorbeeld manager-load-balancer.eng.mycompany.com:443. IP-adressen worden niet herkend.

    Zonder load balancer

    Voer de volledig gekwalificeerde domeinnaam en het poortnummer in van de machine waarop u het Manager Service-onderdeel hebt geïnstalleerd. Bijvoorbeeld manager_service.mycompany.com:443. IP-adressen worden niet herkend.

    De standaardpoort is 443.

  9. Configureer een verbinding met het Manager Website-onderdeel.

    Optie

    Beschrijving

    Als u een load balancer gebruikt

    Voer de volledig gekwalificeerde domeinnaam en het poortnummer van de load balancer voor het Manager Website-onderdeel in. Bijvoorbeeld website-load-balancer.eng.mycompany.com:443. IP-adressen worden niet herkend.

    Zonder load balancer

    Voer de volledig gekwalificeerde domeinnaam en het poortnummer in van de machine waarop u het Manager Website-onderdeel hebt geïnstalleerd. Bijvoorbeeld website_component.mycompany.com:443. IP-adressen worden niet herkend.

    De standaardpoort is 443.

  10. Klik op Testen om de verbinding met elke host te controleren.
  11. Klik op Opsware in EPI-type.
  12. Typ de volledig gekwalificeerde domeinnaam van de beheerde server in het tekstvak EPI-server.

    U kunt dit veld desgewenst ook leeg laten als u de agent met meerdere hosts wilt laten communiceren.

    Met welke HP Server Automation-server de agent communiceert bij het inrichten van een machine met behulp van HP Server Automation, is afhankelijk van de waarde die wordt vereist door de aangepaste eigenschap EPI.Server.Name van de blueprint.

    Als u een speciale EPI-agent installeert door tijdens de installatie een HP Server Automation-servernaam op te geven, kunnen alleen machines waarvan de eigenschap EPI.Server.Name exact overeenkomt met de ingestelde servernaam voor de agent, door die server worden ingericht.

    Als u een algemene EPI-agent installeert zonder dat u een HP Server Automation-servernaam opgeeft bij de installatie, kan een machine worden ingericht door elke server die is opgegeven bij de blueprinteigenschap EPI.Server.Name (aangenomen dat de agent verbinding heeft met die server).

    Opmerking:

    Als geen overeenkomende agent wordt gevonden of er geen agenten met lege serverwaarden zijn, wacht de Opsware-inrichting tot een geschikte agent wordt gevonden.

  13. Klik op Toevoegen.
  14. Klik op Volgende.
  15. Klik op Installeren om de installatie te starten.

    Na enkele minuten verschijnt er een succesbericht.

  16. Klik op Volgende.
  17. Klik op Voltooien.

Volgende stappen

Bepaal welk type integratiemethode u wilt gebruiken. Zie HP Server Automation integreren.