Voor een omgeving met hoge beschikbaarheid vormt de virtuele mastertoepassing het knooppunt dat ingesloten PostgreSQL in de mastermodus uitvoert. De andere knooppunten in de omgeving voeren de ingesloten PostgreSQL-database uit in replicamodus. Tijdens het upgraden zijn voor het repliceren van een virtuele toepassing geen wijzigingen in de database vereist.

Voordat u begint

  • Controleer of u de updates voor de virtuele toepassing hebt gedownload. Zie vRealize Automation-toepassingsupdates downloaden.

  • Controleer of de jdbc:postgresql-verbindingspunten voor de database verwijzen naar het externe IP-adres van het masterknooppunt voor PostgreSQL.

    1. Open een nieuwe opdrachtprompt op de vRealize Automation-toepassing.

    2. Ga naar /etc/vcac/server.xml en maak een back-up van het bestand server.xml.

    3. Open server.xml.

    4. Bewerk indien nodig de vermelding jdbc:posgresql in het bestand server.xml die verwijst naar de Postgres-database en laat deze verwijzen naar het externe IP-adres van het masterknooppunt voor PostgreSQL voor een externe PostgreSQL of naar virtuele mastertoepassingen voor een ingesloten PostgreSQL.

      Bijvoorbeeld jdbc:postgresql://198.15.100.60:5432/vcac

  • Als u een upgrade uitvoert van een gedistribueerde omgeving die is geconfigureerd met een ge├»ntegreerde PostgreSQL-database, moet u de bestanden in de directory pgdata op de hoofdhost onderzoeken voordat u de upgrade uitvoert op de replicahosts. Blader naar de PostgreSQL-gegevensmap op de hoofdhost op /var/vmware/vpostgres/current/pgdata/. Sluit eventuele geopende bestanden in de directory pgdata en verwijder alle bestanden met het achtervoegsel .swp.

Over deze taak

Sluit de beheerconsole niet tijdens het installeren van de update.

Procedure

  1. Open de vRealize Automation-toepassing-beheerconsole voor de upgrade.
    1. Ga naar de beheerconsole van uw virtuele toepassing door de gekwalificeerde domeinnaam te gebruiken, https://va-hostname.domain.name:5480.
    2. Meld u aan met de gebruikersnaam root en het wachtwoord dat u hebt opgegeven bij het implementeren van de toepassing.
    3. Klik op het tabblad Bijwerken.
  2. Klik op Instellingen.
  3. Selecteer het downloaden van de updates vanuit een VMware-opslagplaats of vanaf een cd-rom in het gedeelte Opslagplaats updates.
  4. Klik op Status.
  5. Klik op Updates controleren om te zien of een update beschikbaar is.
  6. Klik op Updates installeren.
  7. Klik op OK.

    Er verschijnt een bericht dat aangeeft dat de update wordt uitgevoerd.

  8. (Optioneel) Voer de volgende stappen uit als u de grootte van Schijf 1 niet handmatig hebt gewijzigd in 50 GB.
    1. Wanneer het systeem u vraagt om de virtuele toepassing opnieuw te starten, klikt u op het tabblad Systeem en vervolgens op Opnieuw opstarten.

      Tijdens het opnieuw opstarten past het systeem de ruimte aan die nodig is voor de update.

    2. Nadat het systeem opnieuw is opgestart, meldt u zich weer aan bij de vRealize Automation-toepassing-bheerconsole en seleceert u Update > Status.
    3. Klik op Controleren op updates en Updates installeren.
  9. Open de logboekbestanden om te controleren of de upgrade goed verloopt.

    /opt/vmware/var/log/vami/vami.log en /var/log/vmware/horizon/horizon.log

    Als u zich afmeldt tijdens het upgradeproces en u zich vervolgens opnieuw aanmeldt, kunt u de voortgang van de update blijven volgen in het logboekbestand /opt/vmware/var/log/vami/updatecli.log.

    De tijd die nodig is om de update te voltooien, is afhankelijk van uw siteomgeving.

  10. Wanneer de update is voltooid, meldt u zich af bij de vRealize Automation-toepassing, wist u de cache van de webbrowser en meldt u zich opnieuw aan bij de beheerconsole van de vRealize Automation-toepassing.
  11. Start de virtuele toepassing opnieuw.
    1. Klik op Systeem.
    2. Klik op Opnieuw opstarten en bevestig uw selectie.
  12. Meld u aan bij de vRealize Automation-toepassing-beheerconsole.
  13. Selecteer vRA-instellingen > Cluster.
  14. Geef de virtuele mastertoepassing op en klik op Deelnemen aan cluster.
  15. Klik op Services en controleer of alle services aanwezig zijn.
  16. Voer de volgende stappen uit voor elke tenantdirectory die u bij de migratie maakt.

    U moet deze stappen voltooien voordat u uw virtuele toepassingen in de load balancer inschakelt.

    1. Meld u aan op de vRealize Automation-console als tenantbeheerder.
    2. Selecteer Beheer > Beheer van directory's > Directory's.
    3. Selecteer de directorynaam en selecteer Instellingen.
    4. Klik in de lijst Identiteitsproviders op de naam van de gewenste identiteitsprovider, bijvoorbeeld WorkspaceIPD_1.
    5. Voeg in het vervolgkeuzemenu Connector(s) uw aanvullende toepassing toe en voer uw BIND DN-wachtwoord in.
    6. Wijzig de bestaande waarde in het tekstvak IdP-hostnaam in de hostnaam van de load balancer van uw virtuele toepassing, bijvoorbeeld vra-lb-fqdn.vmware.com.
    7. Klik op Opslaan.

Volgende stappen

Het IaaS-installatieprogramma downloaden