Veel aangepaste eigenschappen zijn voorzien van vRealize Automation. U kunt ook nieuwe eigenschappen definiëren om unieke, aangepaste eigenschappen te maken en meer controle te geven over het inrichten van machines.

Als u een eigenschap toevoegt aan een blueprint of reservering, kunt u bepalen of een gebruiker moet worden gevraagd om een eigenschapswaarde op te geven en of deze waarde moet worden gecodeerd.

U kunt bepalen hoe een eigenschap wordt weergegeven, bijvoorbeeld of deze moet worden weergegeven als een selectievakje of als een vervolgkeuzemenu met waarden die zijn opgehaald uit een aangepaste werkstroom van vRealize Orchestrator.

U kunt ook eigenschappen gebruiken om te bepalen hoe uw aangepaste werkstromen functioneren. Raadpleeg, voor informatie over het gebruik van vRealize Automation Designer en om aangepaste werkstromen te definiëren en hiermee te werken, de Uitbreidbaarheid van levenscyclus.

Best practices voor het benoemen van eigenschapsdefinities

U voorkomt naamgevingsconflicten met de meegeleverde aangepaste eigenschappen van vRealize Automation door een herkenbaar standaardvoorvoegsel te gebruiken voor alle eigenschapsnamen die u maakt. Gebruik voor alle nieuwe eigenschapsnamen een voorvoegsel zoals een bedrijfs- of functienaam, gevolgd door een punt. VMware heeft alle eigenschapsnamen zonder punt (.) gereserveerd. Bij eigenschapsnamen die niet aan deze richtlijn voldoen, kunnen er conflicten optreden met aangepaste vRealize Automation-eigenschappen. In zo'n geval heeft de eigenschap van vRealize Automation voorrang op de eigenschappen die u maakt.

Beperkingen

Als u een eigenschapsdefinitie maakt waar Type gelijk is aan String, Display gelijk is aan Dropdown en u een vRealize Orchestrator-actie gebruikt die eigenschappen retourneert die in het vervolgkeuzemenu worden geplaatst, wordt de lijst in een willekeurige volgorde weergegeven. U kunt de volgorde niet opgeven.

Algemene procedures

In de volgende stappen wordt een algemene procedure beschreven voor het maken en gebruiken van eigenschapsdefinities.

  1. Maak een nieuwe eigenschapsdefinitie en koppel deze aan een gegevenstype dat een bepaald inhoudstype toestaat, zoals een booleaanse waarde of gehele getallen. Gebruik voor de nieuwe eigenschapsnaam een standaardnaamgevingsconventie zoals my_grouping_prefix.my_property_name.

  2. Koppel een eigenschapsdefinitie met een weergavetype, zoals een selectievakje of een vervolgkeuzemenu. Welke weergavetypes beschikbaar zijn, wordt bepaald aan de hand van het geselecteerde gegevenstype.

  3. Voeg de eigenschap aan een blueprint toe, afzonderlijk of als onderdeel van een eigenschapsgroep.

    Voeg de eigenschap aan een blueprint toe en geef aan of de eigenschapswaarde moet worden gecodeerd.

    Voeg de eigenschap toe aan een blueprint en geef aan of de gebruiker moet worden gevraagd om een eigenschapswaarde op te geven.

  4. Geef, als aanvrager van de machine, de vereiste waarden op.

U kunt de eigenschapswaarde ook laten invullen in een vervolgkeuzemenu door scriptacties van vRealize Orchestrator te gebruiken. Door de scriptacties van vRealize Orchestrator te gebruiken, kunt u ook een vervolgkeuzemenuwaarde invullen op basis van de waarden die voor een andere eigenschap zijn gespecificeerd.

U kunt gebruik maken van de vra content list --type property-definition vRealize CloudClient-prompt om een lijst te maken van alle eigenschapsdefinities in de huidige vRealize Automation instantie-tenant. U kunt tevens gebruikmaken van de vra content list --type property-group vRealize CloudClient-prompt om een lijst te maken van alle eigenschapsgroepen. U kunt sommige of alle eigenschapsdefinities en eigenschapsgroepen aan een pakket toevoegen, en het pakket naar een zip-bestand exporteren. Daarna kunt u het pakket importeren in een andere vRealize Automation-instantie-tenant. Ga voor meer informatie over vRealize CloudClienten het gebruik ervan naar het VMware Development Center op https://developercenter.vmware.com/tool/cloudclient.