Configureer algemene instellingen, maak eigenschappen en schrijf aangepaste actiescripts om een Software-onderdeel op ingerichte machines te installeren, te configureren, bij te werken of te verwijderen.

Als softwarearchitect klikt u op Ontwerpen > Softwareonderdelen en vervolgens op het pictogram Toevoegen om een nieuw Software-onderdeel te maken.

Algemene instellingen voor nieuwe Software

Pas algemene instellingen toe op uw Software-onderdeel.

Tabel 1. Algemene instellingen voor nieuwe Software

Instelling

Beschrijving

Naam

Voer een naam in voor het Software-onderdeel.

Id

Op basis van de opgegeven naam voor het Software-onderdeel genereert vRealize Automation voor het Software-onderdeel een unieke id voor de tenant. U kunt dit veld nu bewerken, maar u kunt het niet meer wijzigen nadat u de blueprint hebt opgeslagen. Omdat id's permanent en uniek zijn in uw tenant, kunt u deze gebruiken om via een programma met blueprints te communiceren en eigenschapsbindingen te maken.

Beschrijving

Vat uw Software-onderdeel samen ten behoeve van andere architecten.

Container

Op het ontwerpcanvas kunnen blueprintarchitecten alleen uw Software-onderdeel in het containertype plaatsen dat u selecteert.

  • Selecteer Machines om architecten te verplichten uw Software-onderdeel rechtstreeks in een machineonderdeel op het ontwerpcanvas te plaatsen.

  • Selecteer Softwareonderdelen als u een Software-onderdeel ontwerpt dat nooit rechtstreeks in een machineonderdeel mag worden geplaatst, maar wel in een of verschillende Software-onderdelen kan worden genest.

  • Selecteer een specifiek gepubliceerd Software-onderdeel als u een Software-onderdeel ontwerpt dat specifiek in een ander Software -onderdeel dat u hebt gemaakt, kan worden genest.

Eigenschappen voor nieuwe Software

Software-onderdeeleigenschappen worden gebruikt om parameters aan scripts toe te voegen om de gedefinieerde eigenschappen als omgevingsvariabelen door te geven aan scripts die op een machine worden uitgevoerd. Voordat de scripts worden uitgevoerd, vraagt de Software-agent van de ingerichte machine de gewenste eigenschappen op bij vRealize Automation. De agent maakt met deze eigenschappen vervolgens scriptspecifieke variabelen en geeft deze door aan de scripts.

Tabel 2. Eigenschappen voor nieuwe Software

Instelling

Beschrijving

Naam

Voer een naam in voor de Software-eigenschap. De namen van eigenschappen zijn hoofdlettergevoelig en kunnen alleen letters, cijfers, streepjes (-) en lage streepjes (_) bevatten.

Beschrijving

U kunt ten behoeve van andere gebruikers een samenvatting geven van de eigenschap en de vereisten voor de bijbehorende waarde.

Type

Software ondersteunt de typen string, array, inhoud, boolean en integer. Voor een uitgebreide uitleg van ondersteunde eigenschapstypen, raadpleegt u Opties voor eigenschapstypen en -instellingen. Voor meer informatie over eigenschapsbindingen, raadpleegt u Wanneer uw Software-onderdeel informatie van een ander onderdeel nodig heeft en Eigenschapsbindingen maken tussen blueprintonderdelen.

Waarde

  • Als u de waarde die u opgeeft, wilt laten gebruiken, gaat u als volgt te werk:

    • Geef een Waarde op.

    • Selecteer Vereist.

    • Schakel Overschrijfbaar uit.

  • Als u architecten wilt verplichten een waarde op te geven, gaat u als volgt te werk:

    • (Optioneel) Geef een Waarde op als standaardwaarde.

    • Schakel Overschrijfbaar in.

    • Selecteer Vereist.

  • Als u architecten de mogelijkheid wilt bieden een waarde op te geven of de waarde leeg te laten, gaat u als volgt te werk:

    • (Optioneel) Geef een Waarde op als standaardwaarde.

    • Schakel Overschrijfbaar in.

    • Schakel Vereist uit.

Gecodeerd

Geeft aan dat de eigenschap gecodeerd is en dat de waarde in vRealize Automation gemaskeerd wordt weergeven met sterretjes. Als u de eigenschap terugzet op ongecodeerd, wordt de eigenschapswaarde opnieuw ingesteld door vRealize Automation. U moet om veiligheidsredenen een nieuwe waarde voor de eigenschap instellen.

Belangrijk:

Als beveiligde eigenschappen in het script worden afgebeeld op het scherm met behulp van de opdracht echo of andere vergelijkbare opdrachten, worden deze waarden als platte tekst in de logbestanden weergegeven. De waarden in de logbestanden zijn wel zichtbaar.

Overschrijfbaar

U kunt architecten bij het samenstellen van een toepassingsbluepint toestaan de waarde van deze eigenschap te overschrijven. De waarde die u invoert, wordt als standaardwaarde weergegeven.

Vereist

U kunt vereisen dat architecten een waarde voor deze eigenschap opgeven of anders uw standaardwaarde moeten accepteren.

Berekend

Waarden voor berekende bronnen worden toegewezen door de levenscyclusscripts INSTALL, CONFIGURE, START en UPDATE. De toegewezen waarde wordt doorgegeven naar de daaropvolgende beschikbare levenscyclusfasen en naar onderdelen die gebonden zijn aan deze eigenschappen in een blueprint. Als u Berekend selecteert voor een eigenschap die geen stringeigenschap is, wordt het eigenschapstype gewijzigd in string.

Acties voor nieuwe Software

U maakt Bash-, Windows CMD-, of PowerShell-actiescripts om exact op te geven hoe onderdelen worden geïnstalleerd, geconfigureerd, verwijderd of bijgewerkt tijdens schalingsbewerkingen van de implementatie.

Tabel 3. Levenscyclusacties

Levenscyclusacties

Beschrijving

Installeren

Installeer uw software. U kunt bijvoorbeeld de installatiefragmenten van Tomcat-server downloaden en een Tomcat-service installeren. Scripts die u voor de actie Levenscyclus installeren schrijft, worden uitgevoerd wanneer de software voor de eerste keer wordt ingericht, tijdens een eerste implementatieaanvraag of als onderdeel van een opschaling.

Configureren

Configureer uw software. Voor het voorbeeld van Tomcat kunt u de JAVA_OPTS en CATALINA_OPTS instellen. Configuratiescripts worden uitgevoerd nadat de installatie-actie is voltooid.

Start

Start uw software. U kunt bijvoorbeeld proberen de Tomcat-service te starten met behulp van de startopdracht in de Tomcat-server. Startscripts worden uitgevoerd nadat de configuratie-actie is voltooid.

Bijwerken

Als u uw softwareonderdeel zodanig ontwerpt dat deze schaalbare blueprints kan ondersteunen, dient u alle updates uit te voeren die vereist zijn na een opschaal- of neerschaalbewerking. U kunt bijvoorbeeld de clustergrootte van een geschaalde implementatie wijzigen en de geclusterde knooppunten beheren met behulp van een load balancer. Ontwerp uw updatescripts zodanig dat ze meerdere keren kunnen worden uitgevoerd (idempotent) en dat ze zowel opschaal- als neerschaalbewerkingen kunnen uitvoeren. Wanneer een schalingsbewerking is uitgevoerd, kunnen er updatescripts worden uitgevoerd op alle afhankelijke softwareonderdelen.

Installatie ongedaan maken

Verwijder uw software. U kunt bijvoorbeeld specifieke acties uitvoeren in de toepassing voordat een implementatie wordt vernietigd. Verwijderingsscripts worden uitgevoerd wanneer softwareonderdelen worden vernietigd.

Schakel het selectievakje Opnieuw opstarten in voor scripts waarvoor het vereist is dat de machine opnieuw wordt opgestart. Nadat het script is uitgevoerd, wordt de machine opgestart voordat het volgende levenscyclusscript wordt gestart. Controleer of er geen processen zijn die prompts geven voor gebruikersinteractie wanneer het actiescript wordt uitgevoerd. Scripts worden stopgezet door onderbrekingen, waardoor ze oneindig in ruststand blijven, en daardoor uiteindelijk mislukken. Bovendien moeten uw scripts de juiste afsluitcodes bevatten die kunnen worden toegepast op de toepassingsimplementatie. Als het script geen afsluit- en retourcodes bevat, wordt de opdracht in het script die als laatste is uitgevoerd de afsluitstatus. Afsluit- en retourcodes verschillen per ondersteund scripttype, Bash, Windows CMD, PowerShell.

Scripttype

Geslaagde status

Foutstatus

Niet-ondersteunde opdrachten

Bash

  • return 0

  • exit 0

  • return non-zero

  • exit non-zero

Geen

Windows CMD

exit /b 0

exit /b non-zero

Geen exit 0- of exit non-zero-codes gebruiken.

PowerShell

exit 0

exit non-zero;

Geen warning-, verbose-, debug- of host-aanroepen gebruiken.