Een DEM-werker die virtual machines beheert via SCVMM moet worden geïnstalleerd op een host waar de SCVMM-console al is geïnstalleerd.

U doet er daarom goed aan de SCVMM-console te installeren op een afzonderlijke DEM-werkermachine. Controleer ook of is voldaan aan de volgende vereisten.

  • De DEM-werker moet toegang hebben tot de module SCVMM PowerShell die samen met de console is geïnstalleerd.

  • Het PowerShell-uitvoeringsbeleid moet zijn ingesteld op RemoteSigned of Unrestricted.

    Voer een van de volgende opdrachten in bij de PowerShell-opdrachtprompt om het PowerShell-uitvoeringsbeleid te verifiëren:

    help about_signing
    help Set-ExecutionPolicy

  • Als alle DEM-werkers in de instantie zich niet op machines bevinden die voldoen aan deze vereisten, gebruikt u Skill-opdrachten om SCVMM-gerelateerde werkstromen naar DEM-werkers te leiden die wel voldoen.

De volgende extra vereisten gelden voor SCVMM.

  • Deze versie ondersteunt SCVMM 2012 R2, waarvoor PowerShell 3 of hoger is vereist.

  • Installeer de SCVMM-console voordat u vRealize Automation DEM-werkers installeert die SCVMM-werkitems gebruiken.

    Als u de DEM-werker installeert voordat u de SCVMM-console installeert, bevat het logboek fouten van deze strekking:

    Werkstroom 'ScvmmEndpointDataCollection' is mislukt met de volgende uitzondering: de term 'Get-VMMServer' is niet herkend als de naam van een cmdlet, functie, scriptbestand of uitvoerbaar programma. Controleer de spelling van de naam of, als er een pad is opgegeven, controleer of het pad juist is en probeer het vervolgens opnieuw.

    Als u dit probleem wilt oplossen, controleert u of de SCVMM-console is geïnstalleerd en start u de DEM-werkerservice opnieuw.

  • Elke instantie van SCVMM moet worden gekoppeld aan het domein waarin de server zich bevindt.

  • De verificatiegegevens die worden gebruikt voor het beheer van het endpoint dat een instantie van SCVMM weergeeft, moeten over beheerdersrechten beschikken op de SCVMM-server.

    De verificatiegegevens moeten ook beschikken over beheerdersrechten voor de Hyper-V-servers in de instantie.

  • De beheerde Hyper-V-servers in de SCVMM-instantie moeten Windows 2008 R2 SP1-servers zijn waarop Hyper-V is geïnstalleerd. De processor moet zijn voorzien van de nodige virtualisatie-extensies, .NET Framework 4.5.2 of een latere versie moet geïnstalleerd zijn en WMI (Windows Management Instrumentation ) moet zijn ingeschakeld.

  • Als u machines wilt inrichten op een SCVMM-bron, moet u een gebruiker toevoegen aan minstens één beveiligingsrol binnen de SCVMM-instantie.

  • Als u een Generation-2-machine wilt inrichten op een SCVMM 2012 R2-bron, moet u de volgende eigenschappen toevoegen aan de blueprint.

    Scvmm.Generation2 = true
    Hyperv.Network.Type = synthetic
    

    Generation-2-blueprints moeten een bestaande virtualHardDisk (vHDX) met gegevensverzameling hebben op de pagina met buildinformatie over de blueprint. Als deze informatie ontbreekt mislukt de Generation-2-inrichting.

Zie De DEM configureren om verbinding te maken met SCVMM in een ander installatiepad voor meer informatie.

Zie Voorbereiding van uw SCVMM-omgeving voor aanvullende informatie over het voorbereiden van de inrichting van machines.