U kunt de gastagent op referentiemachines installeren om een machine verder aan te passen na de implementatie. U kunt de aangepaste eigenschappen van de gereserveerde gastagent gebruiken om eenvoudige aanpassingen uit te voeren, zoals het toevoegen en formatteren van schijven. U kunt ook uw eigen aangepaste scripts maken voor de gastagent die kunnen worden uitgevoerd binnen het gastbesturingssysteem van een ingerichte machine.

Nadat de implementatie is voltooid en de aanpassingsspecificatie is uitgevoerd (als u er een hebt opgegeven), maakt de gastagent een XML-bestand (c:\VRMGuestAgent\site\workitem.xml), dat alle aangepaste eigenschappen van de machine bevat. De gastagent voltooit ook eventuele taken die aan dit bestand zijn toegewezen met de aangepaste eigenschappen van de gastagent en verwijdert zichzelf uit de ingerichte machine.

U kunt uw eigen aangepaste scripts schrijven die door de gastagent moeten worden uitgevoerd op machines die zijn geïmplementeerd, en de aangepaste eigenschappen op de blueprint van de machine gebruiken om de locatie van die scripts en de volgorde waarin ze moeten worden uitgevoerd, op te geven. U kunt ook aangepaste eigenschappen gebruiken op de blueprint van de machine, om de waarden van de aangepaste eigenschappen als parameters door te geven aan de scripts.

Zo kunt u bijvoorbeeld de gastagent gebruiken om de volgende aanpassingen uit te voeren op geïmplementeerde machines:

  • Het IP-adres wijzigen

  • Een station toevoegen of formatteren

  • Beveiligingsscripts uitvoeren

  • Een andere agent initialiseren, bijvoorbeeld Puppet of Chef

U kunt ook een gecodeerde tekenreeks opgeven als een aangepaste eigenschap in een opdrachtregelargument. Op die manier kunt u gecodeerde informatie bewaren die de gastagent kan decoderen en die deze begrijpt als een geldig opdrachtregelargument.

Uw aangepaste scripts hoeven niet lokaal geïnstalleerd te zijn op de machine. Zo lang als de ingerichte machine netwerktoegang heeft tot de locatie van het script, kan de gastagent de scripts openen en uitvoeren. Hierdoor worden de onderhoudskosten verminderd, omdat u uw scripts kunt bijwerken zonder dat u alle sjablonen opnieuw hoeft samen te stellen.

U kunt de beveiligingsinstellingen voor de in te richten virtuele machines configureren door informatie op te geven in een reservering, blueprint of script van een gastagent. Als voor de machine die wordt ingericht een gastagent vereist is, moet u aan de reservering of de blueprint een beveiligingsregel toevoegen met die vereiste. Als u bijvoorbeeld een standaard beveiligingsbeleid gebruikt, dat communicatie tussen alle machines verbiedt, en u voor de communicatie tussen twee specifieke machines afhankelijk bent van een apart beveiligingsbeleid, is de gastagent misschien niet in staat te communiceren met vRealize Automation tijdens de aanpassingsfase. Als u dit probleem wilt vermijden tijdens de inrichting van de machine, gebruikt u een standaard beveiligingsbeleid dat communicatie wel toestaat tijdens de aanpassingsfase.

Als u ervoor kiest om de gastagent te installeren om aangepaste scripts uit te voeren op machines die zijn ingericht, moeten uw blueprints over de juiste aangepaste eigenschappen van de gastagent beschikken. Als u de gastagent bijvoorbeeld installeert op een sjabloon voor klonen, een aangepast script maakt waarmee het IP-adres van de ingerichte machine wordt gewijzigd, en dit script in een gedeelde locatie plaatst, moet u een aantal aangepaste eigenschappen toevoegen aan uw blueprint.

Tabel 1. Aangepaste eigenschappen voor het wijzigen van het IP-adres van een ingerichte machine met een gastagent

Aangepaste eigenschap

Beschrijving

VirtualMachine.Admin.UseGuestAgent

Stel in op true (waar) om de gastagent te initialiseren wanneer de ingerichte machine is gestart.

VirtualMachine.Customize.WaitComplete

Stel dit in op True om te verhinderen dat de inrichtingswerkstroom werkitems verzendt naar de gastagent totdat alle aanpassingen zijn voltooid.

VirtualMachine.SoftwareN.ScriptPath

Geeft het volledige pad op naar het installatiescript van een toepassing. Het pad moet een geldig absoluut pad zijn zoals gezien door het gastbesturingssysteem en moet de naam van de scriptbestandsnaam bevatten.

U kunt ook aangepaste eigenschapswaarden als parameters doorgeven naar het script door {CustomPropertyName} in de padtekenreeks toe te voegen. Als u bijvoorbeeld een aangepaste eigenschap hebt met de naam ActivationKey waarvan de waarde 1234 is, dan is het scriptpad D:\InstallApp.bat –key {ActivationKey}. De gastagent voert de opdracht D:\InstallApp.bat –key 1234 uit. Uw scriptbestand kan vervolgens worden geprogrammeerd om deze waarde te accepteren en te gebruiken.

Voeg {Owner} toe om de naam van de machine-eigenaar door te geven naar het script.

Ook kunt u de waarden van aangepaste eigenschappen doorgeven als parameters voor het script door {UwAangepasteEigenschap} in de tekenreeks voor het pad in te voegen. Wanneer bijvoorbeeld de waarde \\vra-scripts.mycompany.com\scripts\changeIP.bat wordt opgegeven, wordt het script changeIP.bat uitgevoerd vanuit een gedeelde locatie. Maar als de waarde \\vra-scripts.mycompany.com\scripts\changeIP.bat {VirtualMachine.Network0.Address} wordt opgegeven, wordt het script changeIP uitgevoerd, maar wordt ook de waarde van de VirtualMachine.Network0.Address-eigenschap doorgegeven aan het script als een parameter.

VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt

Hiermee kan vRealize Automation een versleutelde tekenreeks verkrijgen die als een goed geformatteerde aangepaste eigenschap van VirtualMachine.SoftwareN.ScriptPath wordt doorgegeven aan de opdrachtregel gugent.

U kunt een versleutelde tekenreeks, zoals uw wachtwoord, als aangepaste eigenschap in een argument voor een opdrachtregel opgeven. Hierdoor kunt u versleutelde gegevens opslaan die de gastagent kan ontsleutelen en lezen als een geldig argument voor de opdrachtregel. De tekenreeks van de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Software0.ScriptPath = c:\dosomething.bat password is bijvoorbeeld niet veilig, omdat deze een daadwerkelijk wachtwoord bevat.

Om het wachtwoord te versleutelen, kunt u een aangepaste eigenschap van vRealize Automation maken (bijvoorbeeld MyPassword = password), en versleuteling inschakelen door het beschikbare selectievakje in te schakelen. De gastagent ontsleutelt de invoer [MijnWachtwoord] naar de waarde in de aangepaste eigenschap MyPassword en voert het script uit als c:\dosomething.bat password.

  • Maak de aangepaste eigenschap MyPassword = wachtwoord, waarbij wachtwoord de waarde van uw daadwerkelijke wachtwoord is. Schakel versleuteling in door het beschikbare selectievakje in te schakelen.

  • Stel de aangepaste eigenschap VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt in op VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt = true.

  • Stel de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Software0.ScriptPath in op VirtualMachine.Software0.ScriptPath = c:\dosomething.bat [MijnWachtwoord].

Als u VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt instelt op False, of als u niet de aangepaste eigenschap VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt maakt, wordt de tekenreeks binnen de vierkante haken ( [ en ] ) niet versleuteld.

Zie Aangepaste eigenschappen voor de vRealize Automation-gastagent voor meer informatie over de aangepaste eigenschappen die u kunt gebruiken met de gastagent.