vRealize Automation gebruikt agenten voor integratie met externe systemen. Een systeembeheerder kan agenten selecteren om te installeren om te communiceren met andere virtualisatieplatforms.

vRealize Automation gebruikt de volgende typen agenten om externe systemen te beheren:

  • Hypervisor-proxyagenten (vSphere, Citrix Xen-servers en Microsoft Hyper-V-servers)

  • External Provisioning Infrastructure (EPI)-integratieagenten

  • Virtual Desktop Infrastructure (VDI)-agenten

  • Windows Management Instrumentation (WMI)-agenten

Voor hoge beschikbaarheid kunt u meerdere agenten installeren voor één enkel endpoint. Installeer elke redundante agent op een afzonderlijke server, maar geef de agenten dezelfde naam en configureer ze op identieke wijze. Redundante agenten bieden een bepaalde fouttolerantie, maar bieden geen failover. Als u bijvoorbeeld twee vSphere-agenten installeert, één op server A en één op server B, en server A wordt onbeschikbaar, dan zal de agent die is geïnstalleerd op server B, doorgaan met het verwerken van werkitems. De agent van server B kan echter de verwerking niet voltooien van een werkitem dat de agent van server A al heeft gestart.

U hebt de keuze om een vSphere-agent te installeren als deel van uw minimale installatie, maar na de installatie kunt u ook andere agenten toevoegen, inclusief een aanvullende vSphere-agent. In een gedistribueerde omgeving kunt u al uw agenten installeren nadat u de gedistribueerde basisinstallatie hebt voltooid. De agenten die u installeert, zijn afhankelijk van de bronnen in uw infrastructuur.

Voor meer informatie over het gebruik van vSphere-agenten raadpleegt u Vereisten voor vSphere-agent.