In diverse implementatiescenario's heeft een onderdeel de eigenschapswaarde van een ander onderdeel nodig om te kunnen worden aangepast. Dit kunt u met vRealize Automation doen door eigenschapsbindingen te maken. U kunt uw Software-actiescripts voor eigenschapsbindingen ontwerpen, maar de werkelijke bindingen worden geconfigureerd door de architect die de blueprint samenstelt.

Naast het instellen van een eigenschap voor een hardgecodeerde waarde, kan een softwarearchitect, IaaS-architect of toepassingsarchitect Software-onderdeeleigenschappen aan andere eigenschappen in de blueprint binden, zoals een IP-adres of een installatielocatie. Wanneer u een Software-eigenschap bindt aan een andere eigenschap, kunt u een script aanpassen op basis van de waarde van een andere onderdeeleigenschap of eigenschap van een virtual machine. Een WAR-onderdeel heeft bijvoorbeeld mogelijk de installatielocatie van de Apache Tomcat-server nodig. In uw scripts kunt u het WAR-onderdeel configureren voor het instellen van de eigenschapswaarde server_home op de eigenschapswaarde install_path voor de Apache Tomcat-server in uw script. Zolang de architect die de blueprint samenstelt de server_home-eigenschap aan de install_path-eigenschap van de Apache Tomcat-server bindt, is de eigenschapswaarde server_home op de juiste manier ingesteld.

Uw actiescripts kunnen alleen eigenschappen gebruiken die u in deze scripts opgeeft, en u kunt alleen eigenschapsbindingen maken met string- en arraywaarden. Eigenschapsarrays van blueprints worden niet in een specifieke volgorde geretourneerd, dus een binding met clusterbare of schaalbare onderdelen levert wellicht niet de verwachte waarden. Als voor uw softwareonderdeel bijvoorbeeld de machine-ID's van elke machine in een reeks zijn vereist, en u uw gebruikers toestemming geeft om een reeks van 1 t/m 10 op te vragen, en de implementatie op te schalen van 1 tot 10 machines. Als u uw software-eigenschap als stringtype configureert, ontvangt u een willekeurig geselecteerde machine-ID van het cluster. Als u uw software-eigenschap als arraytype configureert, ontvangt u een array van alle machine-ID's in het cluster, maar niet in een bepaalde volgorde. Als uw gebruikers de implementatie opschalen, kan de volgorde van waarden per bewerking verschillen. Als u zeker wilt weten dat u nooit waarden van geclusterde onderdelen verliest, kunt u het arraytype voor alle software-eigenschappen gebruiken. U moet echter wel uw eigen softwareonderdelen ontwerpen zodat ze geen array met waarden in een bepaalde volgorde verwachten.

Raadpleeg de tabel Voorbeelden van stringeigenschapsbindingen voor voorbeelden van een stringeigenschapswaarde bij het binden met verschillende soorten eigenschappen.

Tabel 1. Voorbeelden van stringeigenschapsbindingen

Voorbeeld van eigenschapstype

Eigenschapstype om te binden

Uitkomst van binden (A bindt zich aan B)

String (eigenschap A)

String (eigenschap B="Hi")

A="Hi"

String (eigenschap A)

Inhoud (eigenschap B="http://my.com/content")

A="http://my.com/content"

String (eigenschap A)

Array (eigenschap B=["1","2"])

A="["1","2"]"

String (eigenschap A)

Berekend (eigenschap B="Hallo")

A="Hallo"

Raadpleeg de tabel Voorbeelden van array-eigenschapsbindingen voor voorbeelden van een array-eigenschapswaarde bij het binden met verschillende soorten eigenschappen.

Tabel 2. Voorbeelden van array-eigenschapsbindingen

Voorbeeld van eigenschapstype

Eigenschapstype om te binden

Uitkomst van binden (A bindt zich aan B)

Array (eigenschap A)

String (eigenschap B="Hi")

A="Hi"

Array (eigenschap A)

Inhoud (eigenschap B="http://my.com/content")

A="http://my.com/content"

Array (eigenschap A)

Berekend (eigenschap B="Hallo")

A="Hallo"