U kunt blueprints maken voor Microsoft Azure virtual machines die toegang verlenen aan de Azure-bronnen van virtual machines.

Voordat u begint

  • Verkrijg een geldige Azure-abonnements-id en gerelateerde informatiebron,inclusief brongroep, opslagaccount en virtuele netwerkinformatie, die u misschien nodig hebt om een blueprint te maken.

  • Configureer een Azure-endpoint om een verbinding te maken met Azure voor gebruik met uw vRealize Automation-installatie.

  • Configureer de geschikte Azure-reserveringen voor uw bedrijfsgroepen.

Over deze taak

Een standaard Azure-machinesjabloon wordt weergegeven in de categorie Machinetypen (Machine Types) op de pagina vRealize Automation-blueprint bewerken. U kunt deze sjabloon voor virtual machines gebruiken als de basis voor een Azure-blueprint zoals beschreven in de volgende procedure. Nadat u een Azure-blueprint hebt gemaakt, kunt u deze publiceren en implementeren zoals ontworpen of kunt u deze samen met aangepaste Azure-bronnen gebruiken of met andere blueprints om een samengestelde blueprint te maken.

Na het maken en publiceren van de blueprint kunnen gebruikers met de juiste bevoegdheden een Azure-instantie aanvragen en inrichten via de vRealize Automation-servicecatalogus.

Azure-blueprints definiëren vereisten voor virtual machines. vRealize Automation gebruikt deze vereisten om de meest geschikte reservering te selecteren voor de implementatie.

Raadpleeg Instellingen voor nieuwe blueprints en blueprinteigenschappen voor informatie over de tabbladen NSX-instellingen en Eigenschappen in het dialoogvenster Nieuwe blueprint.

Als u twee virtual machines tegelijk wilt maken via één implementatie, moet u twee netwerkinterfacenamen en twee namen voor virtual machines maken.

Procedure

  1. Selecteer Ontwerpen > Blueprints.
  2. Klik op het pictogram Nieuw (Toevoegen).
  3. Geef een naam voor de blueprint op in het tekstvak Naam.

    De naam die u opgeeft wordt ook ingevuld in het tekstvak Id. Meestal kunt u de tabbladen NSX-instellingen en Eigenschappen negeren.

  4. Klik op OK.
  5. Klik op Machinetypen (Machine Types) in het menu Categorieën (Categories).
  6. Sleep de sjabloon voor de virtual machine Azure-machine naar het ontwerpcanvas.

    Als u een aangepaste Azure-bron hebt gemaakt voor gebruik als basis voor een blueprint, kunt u die bron selecteren uit de toegewezen categorie in de lijst Categorieën.

  7. Voer de vereiste informatie voor de Azure virtual machine in de tekstvelden in op de pagina's met tabbladen die zich onderaan het ontwerpcanvas bevinden die worden weergegeven wanneer u de Azure-machinesjabloon naar het ontwerpcanvas sleept.

    De beschikbare opties voor tekstvakken en andere velden op al deze tabbladen worden voornamelijk bepaald door het Azure-endpoint dat als basis voor blueprints is geconfigureerd.

    Voor de meeste parameters geldt dat, wanneer u kunt klikken op het tekstveld naast de parameternaam, een nieuw venster wordt geopend op de rechterzijde van de pagina. In dit venster kunt u parameterwaarden invoeren in het tekstveld Waarde (Value) en aangeven of deze al dan niet Vereist (Required) is. Houd er rekening mee dat u in sommige gevallen ook een Minimumwaarde (Minimum Value) en een Maximumwaarde (Maximum Value) kunt invoeren. Klik op Toepassen (Apply) in het rechterdeelvenster om het initiële tekstveld in te vullen.

    Figuur 1. Menu rechterzijde Azure-blueprint

    De meeste velden hebben ook een knop Geavanceerde opties (Advanced Options). Met deze opties kunt u veldlengten opgeven en zelfs velden verbergen voor eindgebruikers.

    Opmerking:

    Vereiste velden moeten worden ingevuld om de configuratie van de blueprint voort te zetten. Als u een veld leeg wilt laten, kunt u teruggaan en de invoer verwijderen voordat u deze opslaat.

    Tabblad

    Beschrijving

    Belangrijke parameters

    Algemeen

    Selecteer basisverbindingsgegevens voor de Azure virtual machine zoals het endpoint dat moet worden gebruikt.

    Id (ID) - Identificeert de Azure virtual machine die u maakt. Als u deze naam wijzigt, wordt ook de image van de Azure virtual machine op het ontwerpcanvas automatisch bijgewerkt.

    Beschrijving (Description) - Identificeert de virtual machine die u maakt en of dit al dan niet vereist is.

    Instanties - Met deze selectie kunt u een schaalbare virtual machine creëren. Gebruik de velden Minimum en Maximum om het aantal Azure-instanties aan te geven die vanaf deze machine kunnen worden gemaakt.

    Wachtwoordverificatie gebruiken (Use password authentication): selecteer Ja om wachtwoordverificatie te gebruiken of Nee om SSH te gebruiken.

    Gebruikersnaam beheerder (Admin username) - Laat dit leeg zodat de gebruiker die de machine inricht de naam kan toewijzen.

    Beheerderswachtwoord (Admin password) - Laat dit veld leeg zodat de persoon die de machine inricht het juiste wachtwoord kan opgeven,

    Versie-informatie

    Hiermee kunt u de informatie configureren van de virtual machine de wordt gemaakt.

    Locatie (Location) - Selecteer de geografische locatie waar deze virtual machine wordt geïmplementeerd.

    Machinevoorvoegsel (Machine Prefix) - Selecteer het gewenste keuzerondje om aan te geven of dat u het machinevoorvoegsel wilt gebruiken van de gekoppelde bedrijfsgroep of dat u een aangepast voorvoegsel wilt maken. Als u een aangepast voorvoegsel wilt gebruiken, voert u dit in het tekstveld Aangepast machinevoorvoegsel in.

    Type image van virtual machine (Virtual machine image type) - Kies het gewenste keuzerondje voor een Aangepast (Custom) of Stereotiep (Stock) image van de virtual machine. Een aangepaste virtual machine wordt gemaakt op basis van een klassieke Azure-implementatie en biedt meer configuratiemogelijkheden met betrekking tot cloudservices, accounts voor opslagruimtes en beschikbaarheidssets.

    Image van virtual machine (Virtual Machine Image) - Identificeert de image van de Azure virtual machine waarop de blueprint wordt gebaseerd.

    • Voor een stereotiepe image van een virtual machine, moet de URN van de machine-image de volgende indeling hebben: (publisher):(offer):(sku): (version).

    • Voor een aangepaste image van een virtual machine, moet de URN van de machine-image de volgende indeling hebben:

      https://storageaccount.blob.core.windows.net/container/image.vhd

    U moet ook de het tekstveld Besturingssysteem voor type image (OS Image Type) invullen (Windows of Linux) voor aangepaste images.

    Admingebruiker (Admin User) - Typ de naam van de aangewezen admingebruiker die is geconfigureerd voor virtual machines die op deze blueprint zijn gebaseerd. Eventueel kan het hier leeg gelaten worden en worden ingevuld op het aanvraagformulier.

    Verificatie (Authentication) - Selecteer het gewenste keuzerondje om aan te geven of voor virtual machines die zijn gebaseerd op deze blueprint, wachtwoord- of SSH-verificatie is vereist.

    Adminwachtwoord (Admin Password) - Het beheerderswachtwoord voor de instantie van de virtual machine.

    Serie (Series) - Definieert de algemene grootte van de instantie van een virtual machine. Raadpleeg de documentatie van Azure bij https://azure.microsoft.com/nl-nl/documentation/articles/virtual-machines-windows-sizes/ voor meer informatie over series.

    Grootte (Size) - Definieert de specifieke grootte van de instantie van een virtual machine binnen een serie. Grootte is gerelateerd aan de geselecteerde serie. Als u een geldige verbinding hebt met een Azure-instantie, dan worden de beschikbare groottes automatisch dynamisch ingevuld op basis van het abonnement en de selecteerde locatie en serie. Raadpleeg de documentatie van Azure voor meer informatie over de grootte.

    Groottedetails van instantie (Instance Size Details) - Optionele informatie over de serie en grootte van de instantie van een virtual machine.

    Machinebronnen

    Organiseer de bronnen van de virtual machine in buckets. Een brongroep is een organisatiestructuur die bronnen van een virtual machine zoals websites, accounts, databases en netwerken groepeert.

    Een beschikbaarheidsset is een mechanisme voor het beheren van twee of meer virtual machines om redundantie te ondersteunen. Raadpleeg https://azure.microsoft.com/en-us/documentation/articles/virtual-machines-windows-manage-availability/ voor meer informatie over beschikbaarheidssets van Azure.

    Opmerking:

    Als u een blueprint configureert waarvan het maximumaantal Azure-instanties is ingesteld op een waarde die groter is dan 1, kunt u het beste de bestaande brongroep en beschikbaarheidsset gebruiken in plaats van nieuwe te maken. Het gebruik van nieuwe brongroepen of nieuwe beschikbaarheidssets voor meer dan één instantie in dezelfde implementatie, leidt tot fouten en andere problemen bij koppeling aan load balancers.

    Brongroep maken of opnieuw gebruiken (Create or reuse Resource group) - Selecteer het gewenste keuzerondje om aan te geven of u de bestaande Azure-brongroep wilt gebruiken of een nieuwe wilt maken. U kunt de naam van de bestaande brongroep vinden op de pagina Brongroepen (Resource Groups) in het Azure-portal. Als u ervoor kiest een nieuwe brongroep te maken, wordt een geschikte naam voor de nieuwe groep automatisch weergegeven in het tekstveld Brongroep (Resource Group).

    Beschikbaarheidsset maken of opnieuw gebruiken (Create or reuse Availability set) - Selecteer het gewenste keuzerondje. Als u Nieuw maken (Create New) selecteert, wordt de bijbehorende informatie voor de nieuwe beschikbaarheidsset weergegeven in het tekstveld.

    Opslag

    Hiermee kunt u Azure-opslagaccounts organiseren. Een opslagaccount geeft toegang tot de verschillende opslagtypen van Azure, zoals Azure Blob, Wachtrijtabel en Bestandsopslag. Voor de meeste blueprints kunt u de standaardwaarden accepteren.

    Opslagaccount (Storage account) - Voer de naam van de opslagaccount voor de virtual machine in. De besturingssysteemschijf voor de Azure virtual machine wordt geïmplementeerd voor deze opslagaccount. U vindt informatie over opslaggroepen in het Azure-portal. U beschikt mogelijk over meer opslagaccounts.

    Opmerking:

    Opslagaccountnamen met onderstrepingstekens of andere speciale tekens kunnen fouten veroorzaken.

    Diagnostische opslag toevoegen (Add Diagnostic Storage) - Schakel dit selectievakje in als u diagnostische gegevens wilt gebruiken voor uw Azure-instantie.

    Aantal opslagschijven (Number of Storage Disks) - Selecteer het gewenste aantal schijven voor gegevensopslag, zoals gebruikt door uw virtual machine. U kunt maximaal vier schijven opgeven. Deze schijven worden opgeteld bij de schijf voor het besturingssysteem zoals opgegeven in het tekstveld Opslagaccount (Storage Account).

    Opslagschijfnummer (Storage Disk #)

    • Schijfnaam (Disk Name) - Identificerende naam die is toegewezen aan de schijf.

    • Schijftype (Disk Type) - Type opslagapparaat.

    • Schijfgrootte (Disk Size) - Opslaggrootte.

    • Replicatie (Replication) - Redundantiemethode die wordt gebruikt voor back-ups van de schijf.

    • Cache van host (Host Caching) - Geeft aan of lees-/schrijfbewerkingen in cache worden opgeslagen om de prestaties te verbeteren.

    Netwerk

    Hier kunt u de netwerkinstellingen selecteren voor de blueprint van de virtual machine. Voor de meeste blueprints kunt u de standaardwaarden accepteren, zodat de consument de gewenste netwerkinformatie kan invoeren tijdens de implementatie.

    Opmerking:

    U kunt slechts één virtual machine per interface maken, maar elke virtual machine kan maximaal vier interfaces hebben.

    Klik op de tabel om rechts een dialoogvenster te openen dat een andere bewerkbare tabel met de volgende velden bevat.

    • Naam van load balancer (Load Balancer Name) - De load balancer die wordt gebruikt bij de Azure-instantie.

    • Aantal netwerkinterfaces (Number of Network Interfaces) - Selecteer het aantal netwerkinterfaces dat wordt gebruikt met de Azure-instantie. Het aantal netwerkinterfaces moet worden ondersteund door de grootte van de virtual machine die is geselecteerd op het tabblad Opslag (Storage).

    • Netwerkinterface (Network interface) - Selecteer de juiste netwerkinterface voor de blueprint van de virtual machine. Als u een bestaand netwerk opgeeft, kunt u alle andere netwerktabbladen negeren. Als u een naam voor de netwerkinterface opgeeft die niet bestaat, wordt een nieuw interface met die naam gemaakt en kunt u de andere netwerktabbladen gebruiken om de interface te configureren.

    • Voorvoegsel NIC-naam (NIC Name Prefix) - Het voorvoegsel voor de netwerkinterfacekaart.

    • Type IP-adres (IP Address Type) - Geef aan of de virtual machine een statisch of dynamisch IP-adres gebruikt.

    • Netwerkconfiguratie (Networking Configuration) - Voer de gewenste netwerkconfiguratie in. Netwerkprofielen worden ondersteund. Er zijn twee opties, Azure-netwerken opgeven (Specify Azure Networks) en Netwerkprofielen gebruiken (Use Network Profile), en de daarop volgende velden wijzigen afhankelijk van de gekozen optie.

      • De volgende opties zijn beschikbaar als u Azure-netwerken opgeven (Specify Azure Networks) selecteert. Als u deze tekstvelden leeg laat, worden de standaard netwerkstructuren gebruikt op basis van de informatie die wordt opgegeven in de betreffende reservering.

        • vNet-naam (vNet Name) - Naam van het virtuele netwerk.

        • subNet-naam (subNet Name) - De domeinnaam van het Azure-subnet.

        • Naam openbaar IP-adres (Public IP Address Name) - De optionele naam voor de openbare IP-adresstructuur in Azure die moet worden gekoppeld aan de betreffende netwerkinterface.

      • Als u Netwerkprofiel gebruiken (Use Network Profile) selecteert, wordt de netwerkconfiguratie losgekoppeld van de onderliggende Azure-structuren en wordt deze in plaats daarvan gekoppeld aan het vRealize Automation-netwerkprofiel.

        • Als u het tekstveld Netwerkprofiel (Network Profile) leeg laat, wordt het standaardpaar van Azure-vNet en subnet opgelost op basis van de betreffende reserveringen met het opgegeven netwerkprofiel.

        • Als u een netwerkprofiel invoert, worden het Azure-vNet en het subnet opgelost op basis van de overeenstemmende reservering.

  8. Klik op Beëindigen (Finish) om de blueprintconfiguratie op te slaan en terug te keren naar de hoofdpagina voor blueprints.

Volgende stappen

Als u de blueprint wilt publiceren, selecteert u deze op de hoofdpagina voor blueprints en klikt u op Publiceren (Publish). Een gepubliceerde blueprint is beschikbaar via de pagina Catalogusitems. Een bedrijfsgroepbeheerder of equivalente persoon kan deze gepubliceerde blueprint gebruiken als de basis van een samengestelde blueprint.