Versie-informatie voor vRealize Automation 7.2

|

Bijgewerkt op: 6 juni 2017

vRealize Automation | 22 november 2016 | Build 4660246

Controleer regelmatig op aanvullingen en updates voor deze versie-informatie.

Inhoud van de versie-informatie

In deze versie-informatie komen de volgende onderwerpen aan bod:

Nieuw

vRealize Automation versie 7.2 bevat oplossingen voor problemen en ook de volgende nieuwe mogelijkheden.

  • Verbeterde API's voor het programmatisch installeren, configureren en upgraden van vRealize Automation
  • Verbeterde upgradefunctionaliteit voor automatisering van upgrades in het hele systeem
  • LDAP-ondersteuning voor verificatie en Single Sign-On
  • Naleving van FIPS 140-2:
    • Interface voor consumenten/beheerders voldoet nu aan FIPS 140-2
    • Beheer vindt plaats via de beheerconsole van de vRealize Automation-toepassing of de opdrachtregelinterface
    • FIPS is standaard uitgeschakeld
  • Verbeteringen op het gebied van migratie:
    • Door UI gestuurde migratie van vRealize Automation 6.2.x naar 7.2
    • Migratieoptie beschikbaar in implementatiewizard
    • Verbeterde ondersteuning voor het importeren van werkbelastingen van vCloud Director
  • Verbeteringen op het gebied van servicerechten:
    • Selectievakje om alle gebruikers toe te voegen aan een recht
    • Inactieve rechten verwijderen
  • Mogelijkheden op het gebied van uitbreidbaarheid:
    • Verschillende nieuwe onderwerpen met betrekking tot de gebeurtenisbroker voor verbeterde gebruikssituaties voor uitbreidbaarheid
    • Granulariteit op het gebied van abonnementen voor afzonderlijke onderdelen, catalogusitems, onderdeelacties, containers of implementaties
    • Uitbreidbaarheid gebruiken met nieuwe functionaliteit voor containerbeheer
    • Aangepaste XaaS-services en -toepassingen die XaaS-objecten bevatten uit- en inschalen
  • Verbeteringen op het gebied van netwerken:
    • Ondersteuning van IPAM-framework voor geleide NSX-netwerken op aanvraag
    • Nieuwe netwerkprofielen voor de ondersteuning van extra IPAM-gebruikssituaties
    • Beleid voor taakverdeling configureren voor NSX load balancer op aanvraag in de blueprint (Round-Robin, IP-Hash, Leastconn)
    • URL van servicemonitor configureren voor HTTP/HTTPS
  • Containerbeheer:
    • Geïntegreerde containerbeheerengine voor het implementeren en beheren van Docker-containerhosts en -containers
    • Hybride toepassingen waaronder containers en traditionele besturingssystemen maken
    • Nieuwe beheerders- en architectrollen voor containers
    • Automatische detectie van ingerichte containerhosts
    • Minimaal ondersteunde versie van Docker is 1.9.0
    • Als de ingebouwde taakverdeling van Docker nodig is voor geclusterde containers in door gebruikers gedefinieerde netwerken, is Docker 1.11+ vereist
  • Azure-endpoint voor inrichting en beheer van hybride cloudomgevingen:
    • Naadloos Azure-machines samenstellen, leveren en beheren met vRealize Automation
    • Ondersteuning voor Azure-netwerkservices
  • Integratie van ServiceNow:
    • vRealize Automation-catalogusitems met rechten automatisch beschikbaar maken voor de ServiceNow-portal door de invoegtoepassing te gebruiken die beschikbaar is in VMware Solution Exchange
  • Docker:
    • Minimaal ondersteunde versie van Docker is 1.9.0
    • Als de ingebouwde taakverdeling van Docker nodig is voor geclusterde containers in door gebruikers gedefinieerde netwerken, is Docker 1.11+ vereist

Systeemvereisten

Zie de Ondersteuningsmatrix voor vRealize Automation voor informatie over de ondersteunde hostbesturingssystemen, databases en webservers.

Installatie

Zie vRealize Automation installeren voor de vereisten en installatie-instructies.

Voordat u het upgradeproces start

Nieuwe vRealize Automation-functies bieden diverse verbeteringen samen met de mogelijkheid om naar de nieuwe versie te upgraden of migreren. Als u aanbevelingen of hulp nodig hebt voordat u het upgradeproces start, gaat u naar de webpagina voor hulp bij vRealize Automation-upgrades.

Vanaf vRealize Automation 7.2 maakt JFrog Artifactory Pro geen deel meer uit van de toepassing vRealize Automation. Als u een upgrade uitvoert vanaf een eerdere versie van vRealize Automation, wordt JFrog Artifactory Pro verwijderd. Zie het Knowledge Base-artikel 2147237 voor meer informatie.

Verholpen problemen

  • Wanneer u de Active Directory-verbinding hebt geïnitialiseerd en vervolgens de naam van de host wijzigt, wordt de Active Directory-connector onbruikbaar en werkt Active Directory niet meer. Dit probleem is opgelost.

  • De optie VMware NSX Load Balancer vernietigen wordt weergegeven als een actie waarvoor rechten zijn verleend of als een optie van het goedkeuringsbeleid. Dit probleem is opgelost.

  • Na een nieuwe installatie detecteert het masterknooppunt van de toepassing de status van het replicatieknoopunt van de toepassing niet. Dit probleem is opgelost.

  • Een probleem waarbij een lease oneindig kon worden verlengd, is opgelost. De lease kan nu worden verlengd met (huidige datum + max. toegestane lease).

  • De JRE is bijgewerkt en bevat nu de update voor de kritieke patch van Oracle van oktober 2016. De jdk-1.8.0_102 is bijgewerkt naar jdk-1.8.0_112.

  • Uit-/inschalen mislukt in een implementatie die is bijgewerkt vanaf 6.x en in bulkgewijs geïmporteerde implementaties.

  • Het upgradeonderwerp vRealize Automation-toepassingsupdates downloaden van een VMware-opslagplaats bevat een vereiste die op onjuiste wijze verwijst naar vRealize Automation 6.2.4 of 6.2.5

Bekende problemen

Installatie

  • Nieuw De opdracht vcac-config mislukt wanneer een parameter begint met het symbool @
    Wanneer u zich aanmeldt als rootgebruiker bij de console van de vRealize Automation-toepassing en de opdracht vcac-config uitvoert, ziet u een fout zoals in het volgende voorbeeld.

    /usr/sbin/vcac-config prop-util -e --p '@Follow123'
    Kan bestand Follow123 niet lezen: java.io.FileNotFoundException: Follow123 (Bestand of map bestaat niet)

    Het probleem treedt op, omdat met de opdracht vcac-config geen parameter kan worden geaccepteerd die begint met het symbool @. De fout treedt bijvoorbeeld op wanneer een naam of wachtwoord begint met het symbool @.

    Oplossing: Geen. Voer geen vcac-config-parameters in die beginnen met het symbool @.

  • Databaseconfiguratie mislukt tijdens nieuwe installatie van vRealize Automation 7.2 op Windows-versie met Turkse taal
    Als op de IaaS-server de Windows-versie met Turkse taal wordt uitgevoerd, mislukt de installatiewizard van vRealize Automation tijdens de configuratie van de database en wordt het volgende foutbericht weergegeven: MSB3073.

    Oplossing: Dit probleem wordt naar verwachting opgelost in een toekomstige release.

  • Het proces voor het maken van aanvankelijke inhoud mislukt tijdens de installatie bij deze stap: Werkstroom voor het maken van configuratie-admingebruiker
    De map /var/log/messages bevat twee verschillende uitvoeringen van het proces voor het maken van een configuratiebeheerder (deze worden gelijktijdig uitgevoerd, aan het nummer achter va-agent.py ziet u dat de processen verschillen): /usr/lib/vcac/agent/va-agent.py[18405]: info Uitvoeren vRO-werkstroom voor maken van configuratiebeheerder... ... /usr/lib/vcac/agent/va-agent.py[18683]: info Uitvoeren vRO-werkstroom voor maken van configuratiebeheerder... Bij de eerste aanroep wordt de configuratiebeheerder gemaakt, en de tweede aanroep veroorzaakt de fout.

    Oplossing: Het proces voor het maken van aanvankelijke inhoud kan worden voortgezet door de volgende twee opdrachten uit te voeren vanaf de primaire toepassing, de parameters spreken voor zichzelf:

    /usr/sbin/vra-command execute --node ${KNOOPPUNT-ID} import-asd-blueprint --ConfigurationAdminUser configurationadmin --ConfigurationAdminPassword "${WACHTWOORD_CONFIGURIEBEHEERDER}" --DefaultTenant "${SSO-TENANT}" /usr/sbin/vra-command execute --node ${KNOOPPUNT-ID} execute-vro-initial-configuration-service --VidmAdminUser "${HORIZON-GEBRUIKER}" --VidmAdminPassword "${HORIZON-WACHTWOORD}" --ConfigurationAdminPassword "${WACHTWOORD_CONFIGURATIEBEHEERDER}" --DefaultTenant "${SSO-TENANT}"

    De KNOOPPUNT-ID kan worden opgehaald door 'vra-command list-nodes' uit te voeren en de knooppunt-id van de primaire virtuele toepassing op te zoeken.

Upgrade

  • Migratie vRealize Automation van 6.x naar 7.2 mislukt als er in de doelomgeving van 7.2 een andere beheergroep voor vRealize Orchestrator als standaardgroep is ingesteld
    De standaardbeheergroep van vRealize Orchestrator, vsphere.local/vcoadmin, mag niet worden gewijzigd in het Control Center van vRealize Orchestrator voordat de migratie plaatsvindt.

    Oplossing: Zie het Knowledge Base-artikel 2148669.

  • STOMP-client kan geen verbinding tot stand brengen nadat tcServer is geüpgraded naar versie 3.2
    In vRealize Automation 7.2 ondersteunt de IaaS Manager-service alleen REST-polling als verbindingsmechanisme bij de communicatie met de gebeurtenisbrokerservice. De configuratie-instelling Extensibility.Client.RetrievalMethod wordt genegeerd.

  • IaaS-installatieprogramma wordt niet gestart
    Het IaaS-installatieprogramma wordt niet gestart en het volgende bericht wordt weergegeven: “Er is al een nieuwere versie van dit product op deze machine geïnstalleerd.” Dit gebeurt wanneer het msi-pakket van het IaaS-installatieprogramma niet wordt gestart nadat de IaaS-beheeragent handmatig is bijgewerkt naar de nieuwste beschikbare versie.
    Symptomen:

    • Bij het handmatig bijwerken van de IaaS-beheeragent van vRealize Automation 7.2 met de nieuwste versie beschikbaar op VMware Downloads
    • Als er een fout optreedt bij het starten van het uitvoerbare bestand van het IaaS-installatieprogramma na het upgraden naar vRealize Automation 7.2 met het laatste IaaS-upgrade-shellscript.
    • Na het upgraden naar vRealize Automation 7.2 wordt op het tabblad Cluster op de pagina Toepassingsbeheer de nieuwste secundaire versie van de IaaS-beheeragent als hoger dan de andere IaaS-onderdelen weergegeven.

    Oplossing: Zie het Knowledge Base-artikel 2148278.

  • Als u het nieuwe upgrade-shellscript gebruikt in vRealize Automation 7.2, moet u eerst upgraden naar de nieuwste beheeragent
    Als u van plan bent een geautomatiseerde upgrade uit te voeren van de IaaS-onderdelen met het nieuwe upgrade-shellscript, moet u de nieuwste beheeragent gebruiken die beschikbaar is om te downloaden. Gebruik niet de beheeragent die is opgenomen in de virtuele vRealize Automation 7.2-toepassing.

    Oplossing: Zie het Knowledge Base-artikel 2147926.

  • Als telemetrie is uitgeschakeld voordat u vRealize Automation versie 6.2.4 of 6.2.5 upgradet naar versie 7.2, wordt op het tabblad voor telemetrie in de beheerconsole van de vRealize Automation-toepassing mogelijk een fout weergegeven
    Het volgende bericht kan worden weergegeven na de upgrade: Fout: Kan volgende uitvoeringstijd niet vaststellen. Schakel telemetrie weer in of uit. Dit bericht wordt weergegeven omdat er geen telemetriegegevens worden verzameld, dus kan het systeem geen juiste volgende uitvoeringstijd vaststellen. In dit geval kunnen er geen telemetriefuncties worden uitgevoerd.

    Oplossing: Schakel telemetrie in of uit met het selectievakje Deelnemen aan het programma ter verbetering van de klantervaring van VMware en klik op Instellingen opslaan.

Configuratie en inrichting

  • Inrichting van Azure Virtual Machine mislukt als de brongroepnaam niet-ascii-tekens bevat

    Oplossing: Gebruik geen niet-ascii-tekens in een brongroepnaam.

  • Verzameling van statusgegevens retourneert alleen de primaire IP
    Dit gedrag kan invloed hebben op de mogelijkheid om Verbinding maken via RDP of Verbinding maken via SSH te gebruiken of het registeren van een virtual machine als containerhost in de containerservice en andere functies waarvoor toegang tot een virtual machine met gebruikmaking van het IP-adres van de virtual machine vereist is.

    Oplossing: Dit probleem wordt naar verwachting opgelost in een toekomstige release.

  • Failed to parse pool request for address space "" pool "" subpool "" wordt weergegeven tijdens netwerkintegratietesten
    De netwerkintegratietesten mislukken en een vergelijkbaar bericht wordt vermeld in het logboek. Dit is een bekend Docker-probleem: https://github.com/docker/libnetwork/issues/1101. De hoofdoorzaak is dat sommige netwerken niet juist worden vrijgegeven, en Docker kan het maximale aantal toegestane netwerken bereiken.

    Oplossing: Verwijder containers en netwerken.

    1. Stop de docker-daemon.
      sudo systemctl stop docker.service
    2. Verwijder containers en netwerken.
      sudo rm /var/lib/docker/network/files/local-kv.db; sudo rm /var/lib/docker/containers
    3. Start de docker-daemon.
      sudo systemctl start docker.service

  • Integratietesten mislukken soms met de volgende fout: The name "/container-name" is already used by container <hash>
    Dit is een bekend Docker-probleem:https://github.com/docker/docker/issues/23371. Wanneer deze fout optreedt, wordt de volgende stack-tracering weergegeven:

    java.lang.IllegalStateException: Failed with Error waiting for /requests/<hash> to transition to COMPLETED. Failure: failure: Service https://dockerhost/v1.19/containers/create?name=<container-name> returned error 409 for POST. id <id>; Reason: Conflict. The name "/<container-name>" is already in use by container <hash>. You must remove (or rename) that container to be able to reuse that name.

    Oplossing: Activeer de testen opnieuw. Als de container die een fout ondervindt de agent is, moet u containers en netwerken verwijderen.

    1. Stop de docker-daemon.
      sudo systemctl stop docker.service
    2. Verwijder containers en netwerken.
      sudo rm /var/lib/docker/network/files/local-kv.db; sudo rm /var/lib/docker/containers
    3. Start de docker-daemon.
      sudo systemctl start docker.service

  • In een geclusterde configuratie kan het even duren voordat het wijzigen van de plaatsingszone voor een host wordt weerspiegeld in de UI
    Wanneer de plaatsingszone voor een host in een geclusterde configuratie wordt gewijzigd, verschijnen de oude en de nieuwe plaatsingszones mogelijk in de hostlijst, ook al wordt de host onmiddellijk toegewezen aan de nieuwe plaatsingszone en wordt de oude toewijzing niet gebruikt. Dit gebeurt alleen in een geclusterde configuratie en heeft enkel betrekking op de UI.

    Oplossing: Wacht vijf minuten tot de UI is bijgewerkt.

  • Docker-uitschalingscontainers met servicekoppelingen kunnen mislukken met 'Inrichting voor container X mislukt... Docker heeft fout 500 geretourneerd voor POST...-fout
    De implementatie van een sjabloon met meerdere containers die koppelingen bevatten om communicatie tussen meerdere services mogelijk te maken, maar waarbij de koppelingen geen expliciet netwerk vermelden dat is geconfigureerd om de containers te verbinden, leidt ertoe dat alle containers worden ingericht op dezelfde host.

    Oplossing: Bewerk uw sjabloon door een nieuw netwerk op aanvraag toe te voegen en alle containers hiermee te verbinden. Zo weet u zeker dat alle uitgeschaalde containers worden ingericht waar het netwerk op aanvraag beschikbaar is en op een zodanige manier dat alle containers zichtbaar zijn voor elkaar.

  • Bij gevonden netwerken kan een onjuist aantal verbonden containers worden vermeld
    Als u klikt op het aantal containers dat bij elk netwerk wordt weergegeven, is de lijst mogelijk korter dan verwacht.

    Oplossing: Geen.

  • Intern foutbericht wordt weergegeven wanneer u een Azure-machine toevoegt aan een blueprint op het tabblad Ontwerpen
    Wanneer u een externe vRealize Orchestrator-server gebruikt met vRealize Automation, is Microsoft Azure-integratie niet beschikbaar.

    Oplossing: Exporteer de Azure-invoegtoepassing en het pakket van de interne vRealize Orchestrator op uw virtuele vRealize Automation-toepassing en installeer of importeer de invoegtoepassing en het pakket in uw externe vRealize Orchestrator. Nadat u de Azure-invoegtoepassing hebt geïnstalleerd of het Azure-pakket hebt geïmporteerd in uw externe vRealize Orchestrator, wordt Microsoft Azure ondersteund in uw vRealize Automation-omgeving.

    1. Meld u aan bij het vRealize Orchestrator Control Center voor de interne vRealize Orchestrator op uw virtuele vRealize Automation-toepassing. Zie Aanmelden bij de configuratie-interface van vRealize Orchestrator voor instructies.
    2. Klik onder Invoegtoepassingen op Invoegtoepassingen beheren.
    3. Zoek naar de Azure-invoegtoepassing en klik met de rechtermuisknop op Invoegtoepassing downloaden in DAR-bestand. Sla het bestand op uw computer op.
    4. Meld u aan bij het vRealize Orchestrator Control Center voor uw externe vRealize Orchestrator. Zie Aanmelden bij de configuratie-interface van vRealize Orchestrator voor instructies.
    5. Klik onder Invoegtoepassingen op Invoegtoepassingen beheren.
    6. Klik onder Invoegtoepassing installeren op Bladeren en zoek naar het Azure DAR-bestand dat u hebt gedownload naar uw computer.
    7. Klik op Installeren. Klik opnieuw op Installeren als u daarom wordt gevraagd.
    8. Klik in het Control Center onder Opstartopties op Opnieuw opstarten om de installatie van de nieuwe invoegtoepassing te voltooien.
    9. Start al uw virtuele vRealize Automation-toepassingen tegelijk opnieuw op.
      De functionaliteit van Microsoft Azure-integratie is nu hersteld.

    Als de integratie niet goed werkt na het opnieuw opstarten, controleert u of het Azure-pakket com.vmware.vra.endpoint.azure aanwezig is in de externe vRealize Orchestrator. Als het Azure-pakket niet aanwezig is, voltooit u deze stappen.
    1. Meld u aan bij uw interne vRealize Orchestrator-client op uw virtuele vRealize Automation-toepassing.
    2. Exporteer het Azure-pakket com.vmware.vra.endpoint.azure. Zie Een pakket exporteren voor instructies.
    3. Meld u aan bij de vRealize Orchestrator-client voor uw externe vRealize Orchestrator.
    4. Importeer het Azure-pakket com.vmware.vra.endpoint.azure in uw externe vRealize Orchestrator. Zie Een pakket importeren voor instructies.

  • Gelijktijdige XaaS-catalogusaanvragen die de werkstroom 'Virtual machine klonen, geen aanpassing' met 30 gebruikers aanroepen, zorgen ervoor dat sommige aanvragen mislukken
    Wanneer XaaS-blueprints worden aangeroepen waardoor vRealize Orchestrator-werkstromen worden geactiveerd om bewerkingen uit te voeren op trage endpoints bij hoge mate van gelijktijdigheid, kunnen sommige aanvragen mislukken met de fout java.net.SocketTimeoutException: Time-out tijdens lezen. vRealize Orchestrator-werkstromen kunnen ook meerdere keren worden geactiveerd vanwege het optreden van time-outs voor de aanvragen.

    Oplossing: Voer deze stappen uit op elk vRealize Automation-toepassingsknooppunt. Het bestand vcac.properties wordt niet bewaard bij een upgrade. U moet deze stappen herhalen na een upgrade.

    1. Open een SSH-sessie op de vRealize Automation-toepassing.
    2. Bewerk /etc/vcac/vcac.properties om de time-out op de client te verhogen tot 10 minuten door de volgende regel toe te voegen aan het bestand: vco.socket.timeout.millis=600000
    3. Voer deze opdracht uit in de opdrachtprompt om de service vcac-server opnieuw te starten: service vcac-server restart

  • Het verzamelen van inventarisgegevens stopt tijdens een vCenter Server HA-failover (VCHA)
    In zeldzame gevallen reageren werkitems voor een beheerd vSphere 6.5-endpoint mogelijk niet meer tijdens een VCHA-failover.

    Oplossing: Start de vSphere-agent van vRealize Automation opnieuw. Als het verzamelen van gegevens nog altijd niet wordt hervat, neemt u contact op met GSS.

  • vRealize Automation-blueprintimplementaties die NSX-objecten bevatten, mislukken bij het inrichten in een cluster waar de NSX-manager de secundaire rol heeft
    In een NSX-implementatie met meerdere vCenter's moeten universele NSX-objecten, zoals edge gateways, nieuwe virtual wires en load balancer worden ingericht met een NSX-manager die de primaire rol heeft. Als u universele objecten probeert in te richten met een secundaire NSX-manager, mislukt het proces met een fout. vRealize Automation biedt geen ondersteuning voor het inrichten van universele NSX-objecten naar een vSphere-endpoint met netwerk- en beveiligingsintegratie waar de opgegeven NSX-manager de secundaire rol heeft.

    Oplossing: Als u globale NSX-objecten wilt gebruiken, moet u een regiospecifieke, lokale NSX-transportzone en virtual wires maken. Ga naar het VMware KB-artikel 2147240 voor details over dit proces in een VMware Validated Design..

  • Machines die zijn ingericht voor Azure blijven behouden nadat u een Azure-endpoint hebt verwijderd
    Wanneer een Azure-endpoint wordt verwijderd, blijven verweesde machines, blueprints en reserveringen achter. Als u een bepaalde Azure-VM wilt verwijderen voordat u een Azure-endpoint verwijdert, moet u deze handmatig verwijderen met gebruikmaking van de vRealize Automation-console.

  • Wanneer u op een Mac een tweede VMware Remote Console voor VMware opent voor een enkele virtual machine, wordt op beide consoles niets weergegeven
    Hoewel het mogelijk is om in Windows meerdere VMRC's (VMware Remote Consoles) te openen voor een enkele virtual machine, biedt VMRC geen ondersteuning voor meerdere sessies. In Windows is elke console een afzonderlijk proces; op een Mac probeert elke console een enkel proces weer te geven.

    Oplossing: Sluit alle VMRC-instanties en open slechts één VMRC voor een bepaalde machine.

  • Bij het opnieuw inrichten van een beheerde virtual machine op vSphere 6.5 tijdens een VCHA-failover (vCenter High Availability) wordt de virtual machine permanent verwijderd
    Als u tijdens een VCHA-failover met vSphere 6.5 een virtual machine opnieuw inricht, waarbij de virtual machine zich op hetzelfde vSphere-endpoint bevindt, kan de virtual machine worden vernietigd. Dit komt zelden voor.

    Oplossing: Vraag de oorspronkelijke blueprint voor de vernietigde virtual machine.

  • Fout met betrekking tot ongeldige referentiegegevens voor vRealize Automation wordt weergegeven na een VCHA-failover (vCenter High Availability)
    Na een VCHA-failover op een beheerd vSphere 6.5-endpoint bevatten de logboeken van vRealize Automation mogelijk het volgende foutbericht voor het endpoint: Kan aanmelding niet voltooien vanwege een onjuist(e) gebruikersnaam of wachtwoord.

    Oplossing: Start de vCenter-agent van vRealize Automation opnieuw.

  • Het wijzigen van de reservering van een virtual machine werkt niet wanneer het een andere eigenaar betreft
    Wanneer de reserveringsbewerking wordt geactiveerd op een beheerde IaaS-virtual machine, moet de gebruikte reservering horen bij de huidige eigenaar van de virtual machine. Alleen de huidige eigenaar kan worden opgegeven bij de gebruikersparameter. Als een gebruiker wordt opgegeven die niet de huidige eigenaar is, wordt de virtual machine door het systeem geregistreerd als behorende bij één eigenaar in IaaS en bij een andere eigenaar in de catalogus.

    Oplossing: Gebruik de werkstroom Reservering voor een IaaS-virtual machine wijzigen voor reserveringen die horen bij de huidige eigenaar van de virtual machine.

  • Kan geen blueprints selecteren voor bulkimport van onbeheerde machine op vRealize Automation 7.1 dat is geüpgraded naar 7.2
    IaaS geeft een tenant-id in kleine letters door aan de API die blueprints ophaalt voor bulkimport en niet de hoofd- of kleine letters die worden aangeboden door de verificatieservice. Als de gebruiker een tenant-id maakt waarin een combinatie van hoofd- en kleine letters wordt gebruikt, bijvoorbeeld Rainpole in plaats van rainpole, mislukt het opzoeken.

    Oplossing: Genereer het CSV-bestand zonder blueprintnaam of onderdeel en bewerk het CSV-bestand daarna handmatig met de gewenste waarden voor die velden.

  • Geneste containers bieden geen ondersteuning voor netwerken
    Een netwerk kan niet worden toegevoegd aan een geneste container.

    Oplossing: Dit probleem wordt naar verwachting opgelost in een toekomstige release.

  • Inhoud van venster wordt niet juist weergegeven nadat met gebruikmaking van externe console verbinding is gemaakt met een virtual machine op vSphere 6.5
    Bij het maken van een verbinding met een machine die wordt gehost op een vSphere 6.5-endpoint met gebruikmaking van de externe console, kan de verbinding mislukken of onbruikbaar zijn.

    Oplossing: Verbind de betroffen machine met gebruikmaking van de VMRC-clienttoepassing. Selecteer Verbinding maken via VMRC.

  • Voor vCloud Air-endpoints moeten organisatienaam en vDC-naam overeenkomen
    Voor vCloud Air-endpoints moeten de organisatienaam en de vDC-naam identiek zijn voor een vCloud Air-abonnementsinstantie.

  • De vervanging van certificaten mislukt in implementaties met meerdere knooppunten.
    Wanneer u in een implementatie met meerdere knooppunten certificaten vervangt, mislukt deze bewerking als u deze met behulp van de Virtual Appliance Management Interface uitvoert op een machine die niet het masterknooppunt is.

    Oplossing: Als u certificaten wilt vervangen, moet u de Virtual Appliance Management Interface uitvoeren op het masterknooppunt van de cluster.

Documentatie en Help

De volgende items of correcties zijn niet opgenomen in de documentatie voor deze release.

Voorgaande bekende problemen

Weergeven|Verbergen

Voorafgaande, bekende problemen zijn als volgt gegroepeerd:

Installatie

  • vRealize Automation 7.1 biedt geen ondersteuning voor de Microsoft SQL 2016 130-modus
    De Microsoft SQL 2016-database die is gemaakt tijdens de installatie van de vRealize Automation-wizard, bevindt zich in de 100-modus. Als u handmatig een SQL 2016-database maakt, moet deze zich ook in de 100-modus bevinden. Voor gerelateerde informatie raadpleegt u het Microsoft-artikel Voorwaarden, beperkingen en aanbevelingen voor beschikbaarheidsgroepen die altijd aan zijn (mogelijk in het Engels).

  • Gevolgen van beveiligingsupdates voor de Prerequisite Checker
    In deze versie wordt de Prerequisite Checker van de installatiewizard afgebroken als de Microsoft-beveiligingsupdates 3098779 en 3097997 aanwezig zijn. U kunt deze updates echter detecteren met de Prerequisite Checker en ze vervolgens verwijderen met de optie Oplossen. Daarna kunt u de Prerequisite Checker opnieuw uitvoeren op de gebruikelijke wijze.

    Oplossing: Gebruik de installatiewizard om de beveiligingsupdates te verwijderen zodat de Prerequisite Checker goed wordt uitgevoerd. U kunt de updates eventueel ook handmatig verwijderen. Nadat u de wizard hebt uitgevoerd, kunt u de updates 3098779 en 3097997 handmatig opnieuw installeren.

  • Gevolgen van beveiligingsupdates voor achtergrondinstallaties
    In deze versie verhinderen de Microsoft-beveiligingsupdates 3098779 en 3097997 de juiste werking van de nieuwe functie voor achtergrondinstallaties. Deze updates hebben ook een negatief effect op de Prerequisite Checker van de installatiewizard.

    Oplossing: U moet de updates voorafgaand aan de installatie op de achtergrond, handmatig verwijderen van de IaaS Windows-servers. Na afloop van de achtergrondinstallatie kunt u de updates 3098779 en 3097997 dan handmatig opnieuw installeren.

  • De pagina voor de vRealize Automation-toepassing wordt niet goed geladen
    Als Internet Explorer 11 wordt gebruikt in Windows 2012 R2, wordt de webinterfacepagina voor de vRealize Automation-toepassing niet correct geladen.

    Oplossing: Gebruik een andere browser om de webinterfacepagina voor vRealize Automation te openen.

Upgrade

  • De gekozen aangepaste achtergrondafbeelding op de aanmeldingspagina ontbreekt na installatie van vRealize Automation 7.1 of na de upgrade van vRealize Automation 7.0 naar 7.1
    De aangepaste merkvermelding in vRealize Automation 7.0 ontbreekt op de tenantaanmeldingspagina nadat u de upgrade naar vRealize Automation 7.1 hebt uitgevoerd. De opgegeven aangepaste merkvermelding wordt niet weergegeven in een nieuwe installatie van vRealize Automation 7.1.

    Oplossing: Er is geen oplossing.

  • Migratie van systeemeigen Active Directory mislukt met fouten
    Momenteel draagt het SSO-migratieprogramma geen geautomatiseerde, systeemeigen Active Directory over gedurende het vRealize Automation-migratieproces.

    Oplossing: Als u de systeemeigen Active Directory handmatig configureert en start, kunt u Active Directory succesvol migreren. U moet dit pas uitvoeren als u het vRealize Automation-migratieproces hebt voltooid.

  • IaaS-knooppuntmigratie van vRealize Automation 6.2.4 naar 7.1 mislukt als de instantienaam van de PostgreSQL-server niet-ASCII-tekens bevat

    Oplossing: Gebruik de omgeving voor vRealize Automation-migratie met back-upprocedure voor een IaaS-database om uw vRealize Automation 6.2.4-omgeving naar 7.1 te migreren.

  • De configuratie van IaaS Management Agent is beschadigd na een upgrade van vRealize Automation 6.2.3 of vroegere hoge-beschikbaarheidsomgeving naar 7.1.
    Na upgrade van vRealize Automation 6.2.2 naar 7.1, kan de IaaS Management Agent niet worden gestart. Een foutbericht meldt een ontbrekende knooppunt-ID in het configuratiebestand van Management Agent.

    Oplossing: Zie het Knowledge Base-artikel 2146550.

  • In een geüpgrade implementatie mislukt het in- en uitschalen
    Acties voor in- en uitschalen worden niet ondersteund voor implementaties met bulkimport en implementaties die zijn geüpgraded van vRealize Automation 6.x.

    Oplossing: Er is geen oplossing. Acties voor in- en uitschalen worden na de upgrade ondersteund voor nieuwe implementaties op basis van blueprints.

  • Er verschijnt een foutmelding wanneer u zich aanmeldt bij de beheerconsole van vRealize Automation
    U hebt zich op de juiste manier aangemeld en ziet vervolgens de foutmelding "Ongeldige reactie van server. Probeer het opnieuw." Dit probleem wordt veroorzaakt door de cache van de browser.

    Oplossing: Meld u af, wis de inhoud van de browsercache en meld u opnieuw aan.

  • Sommige blueprints kunnen niet volledig worden geüpgraded omdat de catalogusbronnen niet goed worden bijgewerkt
    Geüpgrade blueprints voor meerdere machines die instellingen voor netwerken op aanvraag of instellingen voor load balancers op aanvraag bevatten, beschikken na de upgrade naar vRealize Automation 7.x mogelijk niet over hun volledige functionaliteit.

    Oplossing: Verwijder na de upgrade de implementaties van de blueprints voor meerdere machines en maak ze vervolgens opnieuw. Voer al het bijbehorende NSX Edge-opschoningswerk uit in NSX.

  • Bij de upgrade van vRealize Automation 6.2.0 naar 7.0 mislukt de vPostgres-upgrade en verschijnt een foutmelding
    Als de RPM-database van het systeem is beschadigd, verschijnt tijdens de upgrade de volgende foutmelding: Kan de updates niet installeren (Fout bij het uitvoeren van voorinstallatiescripts).

    Oplossing: Voor meer informatie over het herstellen van een beschadigde RPM-database raadpleegt u het artikel "RPM Database Recovery" op de RPM-website RPM. Voer de upgrade opnieuw uit als u het probleem hebt opgelost.

  • Bij het uitvoeren van de Prerequisite Checker mislukt de Checker met een waarschuwing over RegistryKeyPermissionCheck, maar de instructies om deze fout te herstellen, werken niet tijdens de installatie
    De Prerequisite Checker wordt afgebroken omdat de gebruikersnaam hoofdlettergevoelig is.

    Oplossing: Wijzig tijdelijk de naam van de gebruiker die u hebt opgegeven om de beheeragentservice op de Windows-computer uit te voeren, in de naam van een andere gebruiker en voer vervolgens opnieuw de naam van de oorspronkelijke gebruiker in met de juiste hoofd- en kleine letters voor de gebruikersnaam.

  • Er verschijnt een foutmelding over naamvalidaties bij het upgraden van de Manager Service en het DEM Orchestrator-systeem, en de Model Manager-Webhost kan niet worden gevalideerd
    Als in het bestand ManagerService.exe.config de naam van de load balancer wordt gewijzigd, verschijnt de volgende foutmelding:
    Distributed Execution Manager "NAAM" kan niet worden geüpgraded omdat deze verwijst naar Model Manager-Webhost "xxxx.xxxx.xxxx.net:443", die niet kan worden gevalideerd. U moet deze fout oplossen voordat u de upgrade opnieuw uitvoert: Kan Model Manager-Webhost niet valideren. Het externe certificaat is ongeldig volgens de validatieprocedure.

    Oplossing: Wijzig het configuratiebestand ManagerService.exe.config op de volgende manier. De standaardlocatie is C:\Program Files (x86)\VMware\vCAC\Server\ManagerService.exe.config.
    Wijzig de registerwaarden van alle DEM-instanties. De DEM-instanties van de volgende registervermeldingen moeten bijvoorbeeld worden bijgewerkt.

    [HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Wow6432Node\VMware, Inc.\VMware vCloud Automation Center DEM\DemInstanceId02]
    "Name"="DEM"
    "Role"="Worker"
    "RepositoryAddress"="https://hostnaam:443/repository/"

    [HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Wow6432Node\VMware, Inc.\VMware vCloud Automation Center DEM\DemInstanceId03]
    "Name"="DEO"
    "Role"="Orchestrator"
    "RepositoryAddress"="https://hostnaam:443/repository/"

Configuratie en inrichting

  • Horizon kan in een hoge-beschikbaarheidsomgeving geen verificatie uitvoeren bij failover

    Oplossing: Start de vRealize Automation-toepassing bij failover opnieuw op om de verificatie te herstellen.

  • Sommige onderdelen werken mogelijk niet zoals verwacht nadat u een bestaande binnenste blueprint naar een huidige buitenste blueprint hebt gesleept
    De onderdeelinstellingen worden mogelijk gewijzigd, afhankelijk van de blueprint waarop het onderdeel zich bevindt. Als u bijvoorbeeld beveiligingsgroepen, beveiligingstags of netwerken op aanvraag hebt opgenomen op zowel de binnenste als buitenste blueprint, worden de instellingen van de binnenste blueprint overschreven door die van de buitenste blueprint. Netwerk- en beveiligingsonderdelen worden alleen ondersteund op het niveau van de buitenste blueprint, tenzij het gaat om bestaande netwerken die werken op het niveau van de binnenste blueprint.

    Oplossing: Voeg alle beveiligingsgroepen, beveiligingstags en netwerken op aanvraag alleen toe aan de buitenste blueprint.

  • Als u een eigenschapsgroep maakt waarvan de naam een punt bevat, kunt u de vRealize Automation-gebruikersinterface niet gebruiken om de groep te bewerken
    Dit probleem treedt op wanneer u een eigenschapsgroep maakt en hierbij een punt opneemt in de naam, bijvoorbeeld eigenschap.groep. Er verschijnt dan een lege pagina als u deze eigenschapsgroep bewerkt in de gebruikersinterface van vRealize Automation. Gebruik de REST API om deze eigenschapsgroep te bewerken.

    Oplossing: Vermijd het gebruik van een punt in de naam van een eigenschapsgroep. Als dit niet kan worden vermeden, gebruikt u de REST API om de desbetreffende groep te bewerken.

  • Door een verbroken communicatie tussen IaaS en de algemene servicecatalogus tijdens het vernietigingsproces behoudt de virtual machine een beschikbare status
    Als tijdens een vernietigingsaanvraag de verbinding tussen IaaS en de algemene servicecatalogus wordt verbroken en vRealize Automation de record van de virtual machine nog niet uit de database heeft verwijderd, behoudt de machine zijn beschikbare status. Nadat de communicatie is hersteld, wordt de vernietigingsaanvraag weliswaar bijgewerkt naar geslaagd of mislukt, maar blijft de machine nog steeds zichtbaar. Ondanks dat de machine van het endpoint is verwijderd, blijft de naam zichtbaar in de vRealize Automation-beheerinterface.

  • Wanneer u de hostnaam van de vRealize Automation-toepassing wijzigt, worden bepaalde services als onbeschikbaar gemarkeerd

    Oplossing: Als bepaalde services niet meer beschikbaar zijn nadat u de hostnaam hebt gewijzigd, start u de vRealize Automation-server opnieuw op.

  • Als u een domeinaccount van een management agent op een gekloonde Windows Server 2012 toevoegt aan een domein, verliest de betreffende domeinaccount zijn rechten voor de persoonlijke sleutel van het certificaat van de agent
    Wanneer u een aanpassingswizard gebruikt voor het klonen van een vSphere-machine die onderdeel uitmaakt van een domein, wordt die machine losgekoppeld van dat domein. Als u de gekloonde machine opnieuw lid van het domein maakt, verschijnt de volgende foutmelding in het logboek van de management agent: CryptographicException - Sleutelset bestaat niet.

    Oplossing: U lost dit probleem op door de beveiligingsinstellingen van de persoonlijke sleutel van het certificaat te openen en weer te sluiten zonder verdere wijzigingen aan te brengen. Dit gaat als volgt:

    1. Zoek het certificaat met behulp van de module Certificaten van Microsoft Management Console. De module toont de bijbehorende agent-id in het tekstvak Beschrijvende naam.
    2. Selecteer Alle taken > Persoonlijke sleutels beheren.
    3. Klik op Geavanceerd.
    4. Klik op OK.

  • Er zijn beperkingen bij het slepen van een bestaande binnenste blueprint naar een huidige buitenste blueprint
    Wanneer u een bestaande binnenste blueprint naar een huidige buitenste blueprint sleept, gelden de volgende beperkingen als de binnenste blueprint machines bevat die zijn toegevoegd aan beveiligingsgroepen, beveiligingstags of netwerken op aanvraag. Dit probleem kan ook optreden bij geïmporteerde blueprints.
    • De buitenste blueprint mag geen binnenste blueprint bevatten die instellingen voor netwerken op aanvraag of instellingen voor load balancers op aanvraag bevat. Het gebruik van een binnenste blueprint die een onderdeel voor NSX-netwerken op aanvraag of een onderdeel voor load balancers op aanvraag bevat, is niet mogelijk.
    • Het toevoegen van nieuwe of aanvullende beveiligingsgroepen aan machines van de binnenste blueprint werkt alleen als u nieuwe beveiligingsgroepen op het niveau van de buitenste blueprint toevoegt, ook al zijn op de ontwerppagina voor blueprints beveiligingsgroepen van zowel de binnenste als buitenste blueprint te zien.
    • De oorspronkelijke beveiligingstags voor machines op de binnenste blueprint gaan verloren wanneer u op een buitenste blueprint nieuwe beveiligingstags toevoegt aan machines op de binnenste blueprint.
    • De oorspronkelijke netwerken op aanvraag voor machines op de binnenste blueprint gaan verloren wanneer u op de buitenste blueprint nieuwe netwerken op aanvraag toevoegt aan machines op de binnenste blueprint. Voor bestaande netwerken die oorspronkelijk aan de binnenste blueprint zijn toegevoegd, zijn er geen gevolgen.

    Oplossing: U kunt dit probleem op een van de volgende manieren oplossen:

    • Voeg beveiligingsgroepen, beveiligingstags of netwerken op aanvraag alleen toe aan de buitenste blueprint en niet aan de binnenste blueprint.
    • Voeg beveiligingsgroepen, beveiligingstags of bestaande netwerken alleen toe aan de binnenste blueprint en niet aan de buitenste blueprint.

  • Het menu Directorykenmerk zoeken op de pagina Directory toevoegen bevat onjuiste gegevens
    Bepaalde codereeksen bovenaan in het menu Directorykenmerk zoeken zijn onjuist.

    Oplossing: Klik op het vervolgkeuzemenu Directorykenmerk zoeken om de juiste codereeksen te zien.

  • De fout 'Bron niet gevonden' verschijnt bij de aanvraag van een catalogusitem
    Wanneer vRealize Automation in hoge-beschikbaarheidsmodus is en het hoofdknooppunt van de database faalt zonder dat een nieuw hoofdknooppunt wordt gepromoveerd, worden alle services die schrijftoegang voor de database vereisen, niet goed uitgevoerd of kunnen deze tijdelijk beschadigd raken totdat een nieuwe hoofddatabase wordt gepromoveerd.

    Oplossing: Deze fout is onvermijdbaar wanneer de hoofddatabase niet beschikbaar is. Na promotie van een nieuwe hoofddatabase verdwijnt de fout en kunt u bronnen aanvragen.

  • Er worden geen wijzigingen opgeslagen op de pagina Blueprintformulier van een XaaS-blueprint
    Als u niet op Toepassen klikt nadat u een veld van de pagina Blueprintformulier van een XaaS-blueprint hebt bijgewerkt, worden uw wijzigingen niet opgeslagen.

  • Het tabblad Items geeft geen informatie weer over de services die zijn ingeschakeld voor een load balancer
    Voor machines die zijn ingericht met een load balancer die is gekoppeld aan vCloud Networking and Security, geeft het tabblad Items geen informatie weer over de services die zijn ingeschakeld voor die load balancer.

  • Als een machine wordt vernietigd terwijl de vSphere-kloonbewerking wordt uitgevoerd, wordt de kloontaak van de machine die in behandeling is, niet geannuleerd
    Door dit probleem wordt de machine mogelijk gekloond. Het beheer van de gekloonde virtual machine valt niet meer onder vRealize Automation maar onder vCenter.

  • De aanvraag van een samengestelde blueprint mislukt direct en het formulier met aanvraagdetails kan niet worden geladen
    Als het maximumaantal leasedagen voor een samengestelde blueprint minder is dan dat van de buitenste blueprint, mislukt de aanvraag onmiddellijk en kan het formulier met details van de aanvraag niet worden geladen.

  • Het is niet mogelijk om implementaties te maken met bindingen aan DHCP IP-adressen in software-implementaties
    Als u dit probeert te doen, is het veld ip_address niet beschikbaar indien er geen netwerkprofiel bestaat. De volgende foutmelding verschijnt: Systeemfout: Interne fout bij het verwerken van aanvraag van onderdeel: com.vmware.vcac.platform.content.exceptions.EvaluationException: Geen data voor veld: ip_address.

    Oplossing: Als een binding vereist is, gebruikt u statische IP-adressen of IP-adressen die worden beheerd door vRealize Automation (netwerkprofiel), of gebruikt u een IPAM-integratie. Als u DHCP gebruikt, moet u een binding met de hostnaam maken en niet met het IP-adres.

    Gebruik het volgende script om het IP-adres van een CentOS-machine op te halen:
    IPv4_Address = $(hostname -I | sed -e 's/[[:space:]]$//')
    echo $IPv4_Address

    Maak een binding met de waarde die dit script oplevert als het IP-adres nodig is voor DHCP-gebruikssituaties.

  • Directory wordt gemaakt, zelfs nadat een foutbericht wordt weergegeven
    Wanneer u een directory maakt vanuit Beheer > Beheer van identiteitsarchieven > Identiteitsarchieven en klikt op Opslaan, kan het foutbericht 'Communicatie van connector mislukt vanwege ongeldige gegevens. Probleem bij het promoveren van BINDINGS-DN-gebruiker tot beheerder: de gebruiker bestaat al en is gekoppeld aan andere synchronisatieclient' worden weergegeven. Het nieuwe identiteitsarchief is opgeslagen met een onjuiste configuratie en kan niet worden gebruikt.
    Deze fout treedt op als u probeert een nieuwe Active Directory op te slaan met dezelfde waarden voor de Basis-DN en Bindings-DN als degene die al zijn gebruikt bij een eerder met succes gemaakte en bestaande Active Directory.

    Oplossing: U moet de nieuwe Active Directory handmatig verwijderen omdat de configuratie onjuist is en u moet een andere Bindings-DN en Basis-DN gebruiken voor de nieuwe Active Directory.

  • Er wordt een domein toegevoegd aan een gebruikers-UPN wanneer u een directory maakt die het directoryzoekkenmerk UserPrincipalName bevat
    Wanneer u een nieuwe directory maakt en u selecteert UserPrincipalName voor het directoryzoekkenmerk, wordt een domein aan een gebruikers-UPN toegevoegd. Bijvoorbeeld, de vRealize Automation-gebruikersnaam van een gebruiker met gebruiker.domein@domein.lokaal UPN wordt weergegeven als gebruiker.domein@domein.lokaal@domein.lokaal. Dit gebeurt als het UPN-achtervoegsel op de AD-site is geconfigureerd als een domein. Als het UPN-achtervoegsel is aangepast, bijvoorbeeld naar "voorbeeld.com", dan wordt de vRealize Automation-gebruikersnaam van een gebruiker met gebruiker.domein@voorbeeld.com UPN weergegeven als gebruiker.domein@voorbeeld.com@domein.lokaal.
    Als het directoryzoekkenmerk UserPrincipalName wordt gebruikt, moeten gebruikers hun gebruikersnaam exact zoals deze verschijnt (gebruiker.domein@domein.lokaal@domein.lokaal), inclusief het domein, invoeren om zich aan te melden om de REST API of de Cloud Client te kunnen gebruiken.

    Oplossing: Gebruik sAMAccountName in plaats van UserPrincipalName zodat het beheer van directory's de uniekheid van gebruikersnaam en domein ondersteunt.

  • De 404-fout Not Found (niet gevonden) verschijnt wanneer u een machine aanvraagt namens een andere gebruiker
    Als een blueprint een NAT-netwerk op aanvraag of een load balancer-onderdeel op aanvraag bevat, dan verschijnt de 404-fout Not Found wanneer een implementatie wordt aangevraagd namens een andere gebruiker.

  • Machines die worden geïmporteerd met behulp van Bulkimport, worden niet toegewezen aan de juiste geconvergeerde blueprint en onderdeelblueprint

    Oplossing: Voeg de aangepaste eigenschap VMware.VirtualCenter.OperatingSystem toe aan elke machine in het CSV-importbestand.

    Bijvoorbeeld:
    Yes,NNNNP2-0105,8ba90c35-9e03-4ac4-8a5d-2e6d76f37b81,development-res,ce-san-1:custom-nfs-2,UNNAMED_DEPLOYMENT-0105,BulkImport,Imported_Machine,system_blueprint_vsphere,user.admin@sqa.local,VMWare.VirtualCenter.OperatingSystem,sles11_64Guest,NOP

  • Er ontbreken catalogusbeheeracties in vRealize Automation

    Oplossing: Zie het Knowledge Base-artikel 2113027.

  • Bij een Active Directory met meer dan 15 gebruikersgroepen worden bij het synchroniseren van de Active Directory de groepen niet weergegeven
    Als er meer dan 15 groepen zijn, verschijnen er maar een paar groepen wanneer u de Active Directory met behulp van Beheer > Beheer van identiteitsarchieven > Identiteitsarchieven probeert te synchroniseren in de vRealize Automation-beheerinterface.

    Oplossing: Klik op Selecteren om de volledige lijst te zien.

  • Als u een replica-instantie hebt gepromoveerd naar een master-instantie, verschijnt er onjuiste informatie op het tabblad Database van de vRealize Automation-beheerinterface voor het master-knooppunt
    Gebruik, indien het master-knooppunt van de vRealize Automation-appliance niet correct start, de vRealize Automation-beheerinterface van een goed functionerend knooppunt voor clusterbeheerbewerkingen.

  • Wanneer een datastore wordt verplaatst van de ene vSphere Storage DRS naar een andere, verwijdert het systeem een virtual machine in plaats van er een te maken
    Als u een datastore verplaatst van een vSphere Storage DRS-cluster naar een ander vSphere Storage DRS-cluster en het automatiseringsniveau van het doelcluster niet automatisch is, wordt bij het opnieuw inrichten van een gemaakte machine de machine verwijderd met de volgende fout: StoragePlacement: geen datastore opgegeven voor schijf van VM zonder sdrs-ondersteuning. Dit probleem doet zich niet voor wanneer de virtual machine wordt gekloond.

    Oplossing: Controleer of het automatiseringsniveau van het doelcluster is ingesteld op automatisch voordat u een datastore verplaatst van het ene vSphere Storage DRS-cluster naar een ander. Er worden alleen implementaties op één machine ondersteund.