Een systeembeheerder installeert de agenten doorgaans op de vRealize Automation-server die het actieve Manager Service-onderdeel host.

Als een agent op een andere host wordt geïnstalleerd, moet de netwerkconfiguratie de communicatie tussen de agent en de Manager Services-installatiemachine toestaan.

Elke agent wordt onder een unieke naam geïnstalleerd in zijn eigen map, Agents\agentname, onder de vRealize Automation-installatiemap (doorgaans Program Files(x86)\VMware\vCAC), waarbij de configuratie wordt opgeslagen in het bestand VRMAgent.exe.config in die map.