U kunt een unieke hostnaam voor een load balancer instellen door een adres met een tijdelijke aanduiding op te geven in de containerinstellingen.

Over deze taak

De tijdelijke aanduiding verwijst naar de locatie van een deel van de URL dat automatisch wordt gegenereerd. Deze waarde is uniek voor elke hostnaam. U kunt het teken %s in het adres gebruiken om de locatie van de tijdelijke aanduiding aan te geven.

Opmerking:

Als u geen tijdelijke aanduiding gebruikt, wordt deze, afhankelijk van de systeemconfiguratie, als voor- of achtervoegsel in de hostnaam opgenomen.

Wanneer u een toepassing bouwt waarbij een service wordt gebruikt die algemeen wordt vrijgegeven en die tevens moet kunnen in- en uitschalen, wordt het aanbevolen om een load balancer te gebruiken die aanvragen voor elk knooppunt kan afhandelen. Als u de toepassing hebt ingericht, wordt de configuratie van de load balancer dan automatisch bijgewerkt zodra de service wordt in- of uitgeschaald met vRealize Automation.

Voorwaarden

  • Controleer of Containers voor vRealize Automation is ingeschakeld voor uw ondersteunde vRealize Automation-implementatie.

  • Controleer of u rechten hebt voor de rol van containerbeheerder of containerarchitect.

Procedure

  1. Meld u aan bij vRealize Automation.
  2. Klik op het tabblad Containers.
  3. Klik op Sjablonen in het linkervenster.
  4. Bewerk de sjabloon of de image.

    Optie

    Beschrijving

    Een sjabloon bewerken

    • Klik op Bewerken rechtsboven in de sjabloon die u wilt openen.

    • Als de sjabloon meerdere sjablonen bevat, wijst u de sjabloon aan die u wilt bewerken en klikt u Bewerken rechtsboven in de sjabloon die u wilt openen.

    Een image bewerken

    Klik op de pijl naast de knop Inrichten van de image en klik op Aanvullende gegevens invoeren.

  5. Klik op het tabblad Netwerk.
  6. Voer in het tekstvak Adres de locatie van de tijdelijke aanduiding in.

    De adreshost werkt als een virtuele host. Om toegang tot de adreshost te krijgen, kunt u toewijzingsinformatie toevoegen aan het bestand etc/hosts of een DNS gebruiken die het containeradres toewijst aan de hostnaam.

  7. Geef in het tekstvak Containerpoort het nummer op van de poort waarmee de service wordt vrijgegeven.

    Gebruik de voorbeeldindeling uit het formulier. Als de containertoepassing meerdere poorten tegelijk beschikbaar stelt, geeft u aan via welke interne poort of poorten de service wordt vrijgegeven.

  8. Klik op Opslaan.