Voor de implementatie van BMC BladeLogic Configuration Manager-softwaretaken op de machines die met een blueprint worden ingericht, moet de tenant- of bedrijfsgroepbeheerder een blueprint voor inrichting door middel van klonen maken die voorzien is van aangepaste BMC BladeLogic-eigenschappen.

Over deze taak

  • Vraag de volgende gegevens op bij uw materiaalbeheerder:

    • De naam van de server die als host dient voor BMC BladeLogic.

    • De naam van het standaard verificatieprofiel op de BMC BladeLogic-server.

    • De locatie waar softwaretaken voor BMC BladeLogic worden ge├»mplementeerd. Dit moet overeenkomen met de juiste waarde voor Vrm.Software.IdNNNN.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij de vRealize Automation-console als tenantbeheerder of bedrijfsgroepbeheerder.

  • Maak een blueprint voor klonen op basis van de sjabloon en aanpassingsspecificatie die materiaalbeheerder aan u heeft verstrekt. Zie IaaS-configuratie voor virtuele platforms.

    Opmerking:

    Een materiaalbeheerder kan een versieprofiel maken met behulp van de eigenschappenset BMCSoftWareProperties. Zo kunnen tenantbeheerders en bedrijfsgroepbeheerders deze gegevens makkelijk in hun blueprints opnemen.

  • Voor een overzicht van de vereiste en algemene aangepaste BMC BladeLogic-eigenschappen, raadpleegt u Aangepaste eigenschappen voor BMC BladeLogic Configuration Manager-integratie.

Procedure

  1. Selecteer Ontwerpen > Blueprints.
  2. Zoek de kloonblueprint die u wilt integreren met BMC BladeLogic.
  3. Klik in de kolom Acties op de pijl-omlaag en klik op Bewerken.
  4. Klik op het tabblad Eigenschappen.
  5. (Optioneel) : Selecteer een of meer eigenschapsgroepen.

    Eigenschapsgroepen bevatten meerdere aangepaste eigenschappen.

  6. (Optioneel) : Voeg eventuele aangepaste eigenschappen toe aan uw machineonderdeel.
    1. Klik op Nieuwe eigenschap.
    2. Voer de aangepaste eigenschap in in het tekstvak Naam.
    3. (Optioneel) : Schakel het selectievakje Gecodeerd in om de aangepaste eigenschap in de database te coderen.
    4. Voer de waarde van de aangepaste eigenschap in in het tekstvak Waarde.
    5. (Optioneel) : Schakel het selectievakje Vragen aan gebruiker in om de gebruiker te dwingen een waarde op te geven bij het aanvragen van een machine.

      Als u kiest om een waarde te vragen aan gebruikers, wordt elke waarde die u voor de aangepaste eigenschap opgeeft, standaard aan de gebruikers getoond. Als u geen standaardwaarde opgeeft, kunnen gebruikers niet doorgaan met de machineaanvraag tenzij ze zelf een waarde opgeven voor de aangepaste eigenschap.

    6. Klik op het pictogram Opslaan (pictogram Opslaan).
  7. Klik op OK.

Resultaten

Uw blueprint is opgeslagen.

Volgende stappen

U publiceert een blueprint om deze als catalogusitem beschikbaar te stellen. Zie Een blueprint publiceren.