De tenantbeheerder of bedrijfsgroepbeheerder maakt een blueprint om HP Server Automation-softwaretaken te implementeren op machines die ermee worden ingericht.

Voorwaarden

  • Meld u aan bij de vRealize Automation-console als tenantbeheerder of bedrijfsgroepbeheerder.

  • Vraag de volgende gegevens op bij uw materiaalbeheerder:

    • Een HP Server Automation-sjabloon. Zie Een HP Server Automation-sjabloon voor klonen voorbereiden.

    • De kloonblueprint die u wilt integreren met HP Server Automation.

    • Optioneel informatie over de aangepaste eigenschappen en waarden die u wilt toepassen op alle machines die vanaf de blueprint worden ingericht. Zie Aangepaste eigenschappen voor HP Server Automation-integratie.

      Opmerking:

      Een materiaalbeheerder kan een eigenschapsgroep maken op basis van de eigenschappenset HPSABuildMachineProperties, waarmee een opstartinstallatiekopie wordt gebruikt voor de HP Server Automation-integratie bij de inrichting, of de eigenschappenset HPSASoftwareProperties, waarmee HP Server Automation-integratie bij de software-implementatie mogelijk wordt. Met deze eigenschapsgroepen kunnen tenantbeheerders en bedrijfsgroepbeheerders deze gegevens makkelijker in hun blueprints opnemen.

    • Als een beleid wordt toegepast op alle machines die met de blueprint worden ingericht, moet u de aangepaste eigenschap Vrm.Software.IdNNNN toevoegen, waarbij NNNN staat voor een getal tussen 1000 en 1999, en de waarde wordt ingesteld op de naam van het beleid, bijvoorbeeld Windows_ISMtool.

    • De naam van de aanpassingsspecificatie die aan de blueprint wordt toegevoegd. Zie Een HP Server Automation-sjabloon voor klonen voorbereiden.

  • Zie IaaS-configuratie voor virtuele platforms voor meer informatie over het maken van een blueprint voor klonen op basis van de sjabloon en aanpassingsspecificatie die de materiaalbeheerder aan u heeft verstrekt.

Procedure

  1. Selecteer Ontwerpen > Blueprints.
  2. Zoek de kloonblueprint die u wilt integreren met HP Server Automation.
  3. Klik in de kolom Acties op de pijl-omlaag en klik op Bewerken.
  4. Klik op het tabblad Eigenschappen.
  5. (Optioneel) : Selecteer een of meer eigenschapsgroepen.

    Eigenschapsgroepen bevatten meerdere aangepaste eigenschappen.

  6. (Optioneel) : Voeg eventuele aangepaste eigenschappen toe aan uw machineonderdeel.
    1. Klik op Nieuwe eigenschap.
    2. Voer de aangepaste eigenschap in in het tekstvak Naam.
    3. (Optioneel) : Schakel het selectievakje Gecodeerd in om de aangepaste eigenschap in de database te coderen.
    4. Voer de waarde van de aangepaste eigenschap in in het tekstvak Waarde.
    5. (Optioneel) : Schakel het selectievakje Vragen aan gebruiker in om de gebruiker te dwingen een waarde op te geven bij het aanvragen van een machine.

      Als u kiest om een waarde te vragen aan gebruikers, wordt elke waarde die u voor de aangepaste eigenschap opgeeft, standaard aan de gebruikers getoond. Als u geen standaardwaarde opgeeft, kunnen gebruikers niet doorgaan met de machineaanvraag tenzij ze zelf een waarde opgeven voor de aangepaste eigenschap.

    6. Klik op het pictogram Opslaan (pictogram Opslaan).
  7. Klik op OK.

Resultaten

Uw blueprint is opgeslagen.

Volgende stappen

U publiceert een blueprint om deze als catalogusitem beschikbaar te stellen. Zie Een blueprint publiceren.