Een lijst met aangepaste eigenschappen van vRealize Automation die beginnen met de letter E.

Tabel 1. Tabel aangepaste eigenschappen met E

Eigenschap

Definitie

EPI.Server.Collection

Geeft de naam op van de Citrix-inrichtingsverzameling waarbij de machine moet worden geregistreerd.

EPI.Server.Name

Geeft de naam op van de externe inrichtingsinfrastructuurserver, bijvoorbeeld de naam van de server die BMC BladeLogic host. Als er minstens één algemene BMC EPI-agent is geïnstalleerd zonder dat een BMC BladeLogic Configuration Manager-host is opgegeven, leidt deze waarde de aanvraag naar de gewenste server.

Als er alleen aangewezen BMC EPI-agenten voor specifieke BMC BladeLogic Configuration Manager-hosts zijn geïnstalleerd, moet deze waarde exact overeenkomen met de servernaam die geconfigureerd is voor een van deze agenten.

Geeft de naam op van de server die HP Server Automation host. Als er minstens één algemene Opsware EPI-agent is geïnstalleerd zonder dat een Server Automation-server is opgegeven, leidt deze waarde de aanvraag naar de gewenste server.

Als er alleen aangewezen EPI-agenten voor specifieke HP Server Automation-servers zijn geïnstalleerd, moet deze waarde exact overeenkomen met de servernaam die geconfigureerd is voor een van deze agenten.

Als er minstens één algemene EPI-agent van het juiste type (VirtualMachine.EPI.Type) is geïnstalleerd zonder dat een server is opgegeven, leidt deze waarde de aanvraag naar de gewenste server. Als er alleen aangewezen EPI-agenten voor specifieke servers van het juiste type zijn geïnstalleerd, moet deze waarde exact overeenkomen met de servernaam die geconfigureerd is voor een van deze agenten.

EPI.Server.Port

Geeft de poort op waarop contact kan worden gemaakt met de inrichtingsserver. Als u een Citrix-inrichtingsserver gebruikt, laat u dit weg om de standaardpoortwaarde van 54321 op te geven.

EPI.Server.Site

Geeft de naam op van de Citrix-inrichtingssite die de verzameling en het archief bevat die zijn geïdentificeerd door de eigenschappen EPI.Server.Collection en EPI.Server.Store, bijvoorbeeld site1.

EPI.Server.Store

Geeft de naam op van het Citrix-inrichtingsarchief dat de vDisk bevat die is geïdentificeerd door de eigenschap EPI.Server.VDiskName, bijvoorbeeld archief1.

EPI.Server.VDiskName

Geeft de naam op van de Citrix vDisk waarvan moet worden ingericht, bijvoorbeeld schijf1.

ext.policy.activedirectory.customizationWorkflowTag

De tag die u hebt toegevoegd aan een aangepaste vRealize Orchestrator-werkstroom. Het Active Directory-beleid zoekt naar aangepaste werkstromen met de opgegeven tag en, indien deze wordt gevonden, wordt de getagde werkstroom gebruikt wanneer een Active Directory-record wordt gemaakt.

ext.policy.activedirectory.customizationDeleteWorkflowTag

De tag die u hebt toegevoegd aan een aangepaste vRealize Orchestrator-werkstroom. Het Active Directory-beleid zoekt naar aangepaste werkstromen met de opgegeven tag en, indien deze wordt gevonden, wordt de getagde werkstroom gebruikt wanneer een Active Directory-record wordt verwijderd.

ext.policy.activedirectory.domain

Het domein dat u wilt gebruiken in plaats van het domein in het huidige Active Directory-beleid.

Negeert de ext.policy.activedirectory.system.domain-waarde die is opgegeven in het Active Directory-beleid.

ext.policy.activedirectory.endpoint.id

Het beleidsidentificatienummer dat u moet gebruiken om een beleid op te geven of een beleid te negeren. De ID die u opgeeft, moet van een bestaand Active Directory-beleid zijn.

Negeert de ext.policy.activedirectory.system.endpoint.id-waarde die is opgegeven in het Active Directory-beleid.

ext.policy.activedirectory.id

De organisatie-eenheid die u wilt gebruiken in plaats van de organisatie-eenheid in het huidige Active Directory-beleid.

Negeert de ext.policy.activedirectory.system.id-waarde die is opgegeven in het Active Directory-beleid.

ext.policy.activedirectory.machineName

De naam van de machine in Active Directory die u wilt gebruiken, in plaats van de naam in het huidige Active Directory-beleid.

Negeert de ext.policy.activedirectory.system.machineName-waarde die is opgegeven in het Active Directory-beleid.

ext.policy.activedirectory.orgunit

De organisatie-eenheid die u wilt gebruiken in plaats van het domein in het huidige Active Directory-beleid.

Negeert de ext.policy.activedirectory.system.orgunit-waarde die is opgegeven in het Active Directory-beleid.

ext.policy.activedirectory.system.domain

Systeemeigenschap van het domein van de machine in Active Directory.

Als u deze eigenschap, die door het opgegeven beleid wordt gebruikt, wijzigt, kunt u het beleid uitschakelen. Gebruik ext.policy.activedirectory.domain om de beleidswaarde te negeren.

ext.policy.activedirectory.system.endpoint.id

Systeemeigenschap van de naam van het Active Directory vRealize Orchestrator-endpoint.

Als u deze eigenschap, die door het opgegeven beleid wordt gebruikt, wijzigt, kunt u het beleid uitschakelen. Gebruik ext.policy.activedirectory.endpoint.id om de beleidswaarde te negeren.

ext.policy.activedirectory.system.id

Systeemeigenschap van de voor de gebruiker leesbare ID van het Active Directory-endpoint.

Als u deze eigenschap, die door het opgegeven beleid wordt gebruikt, wijzigt, kunt u het beleid uitschakelen. Gebruik ext.policy.activedirectory.id om de beleidswaarde te negeren.

ext.policy.activedirectory.system.machineName

Systeemeigenschap van de naam van de machine in Active Directory.

Als u deze eigenschap, die door het opgegeven beleid wordt gebruikt, wijzigt, kunt u het beleid uitschakelen. Gebruik ext.policy.activedirectory.machineName om de beleidswaarde te negeren.

ext.policy.activedirectory.system.orgunit

Systeemeigenschap van de onderscheidende naam van de organisatorische Active Directory-eenheid.

Als u deze eigenschap, die door het opgegeven beleid wordt gebruikt, wijzigt, kunt u het beleid uitschakelen. Gebruik ext.policy.activedirectory.orgunit om de beleidswaarde te negeren.