Als u een bovenliggende/onderliggende relatie wilt verkrijgen tussen aangepaste eigenschappen, moet u de bovenliggende eigenschap binden aan de onderliggende. Wanneer u de bovenliggende en onderliggende aangepaste eigenschappen toevoegt aan een blueprint, selecteert de aanvrager een waarde voor de bovenliggende eigenschap. De geselecteerde bovenliggende waarde bepaalt de mogelijke waarden voor de onderliggende eigenschap.

Over deze taak

  • De bovenliggende aangepaste eigenschapsdefinitie kan een statische lijst of een externe waarde zijn die wordt bepaald door een vRealize Orchestrator-actie. Deze levert mogelijke invoerparameters voor een onderliggende eigenschapsdefinitie.

  • De onderliggende aangepaste eigenschapsdefinitie moet een vRealize Orchestrator-actie aanroepen. In de onderliggende aangepaste eigenschap bindt u de bovenliggende aangepaste eigenschap zodat deze een invoerparameterwaarde levert.

Uw ontwikkelingsteam werkt bijvoorbeeld aan productie- en niet-productiesystemen. U hebt ook vijf datacenters. Drie van die datacenters zijn uw datacenters voor ontwikkelingstests en via de andere twee levert u services aan uw interne clients. Om ervoor te zorgen dat ontwikkelaars dezelfde blueprint kunnen implementeren in elke omgeving, de testdatacenters of de datacenters voor interne clients, maakt en bindt u twee aangepaste eigenschapsdefinities. Met de eerste aangepaste eigenschap kan de aanvrager de productie- of niet-productieomgeving selecteren. Op basis van de omgeving die de gebruiker selecteert in het aanvraagformulier geeft de tweede aangepaste eigenschap een van de volgende waarden weer:

  • De lijst van drie testdatacenters voor de niet-productieomgevingen.

  • De twee datacenters voor interne clients voor de productieomgevingen.



Voorbeeld van aangepaste eigenschappen met bovenliggende/onderliggende relatie in een catalogusaanvraagformulier.

Het doel van deze procedure is twee aangepaste eigenschappen te maken die u bindt in een bovenliggende/onderliggende relatie. Via de binding kunt u de juiste locatie selecteren op basis van de geselecteerde productiestatus.

Voorwaarden

  • Voor dit voorbeeld maakt u een vRealize Orchestrator-actie die datacenternamen geeft als locatie-informatie. Geef de actie de naam datacenters_prod, voeg een invoerparameter met de naam prod toe als een tekenreekstype en gebruik dit voorbeeldscript voor het actiescript.

    if(prod == null) {
    	return ['Empty1', 'Empty2'];
    } else if (prod.equals('nonprod')) {
    	return ['WestDC for development testing', 'EastDC for QA automation testing', 'CentralDC for scale testing'];
    } else {
    	return ['NorthDC for AMEA clients', 'SouthDC for Asia Pacific clients'];
    }

    Zie Ontwikkelen met VMware vCenter Orchestrator voor meer informatie over het ontwikkelen van werkstromen en het maken en gebruiken van vRealize Orchestrator-scriptacties.

  • Meld u aan bij de vRealize Automation-console als tenantbeheerder of materiaalbeheerder.

Procedure

  1. Maak een aangepaste eigenschapsdefinitie zodat gebruikers de productie- of niet-productieomgeving kunnen selecteren.
    1. Selecteer Beheer > Woordenboek voor eigenschappen > Eigenschapsdefinities.
    2. Configureer de opties van de aangepaste eigenschap.

      Voorbeeld van aangepaste eigenschapsdefinitie production.ready

      Optie

      Voorbeeldwaarden

      Naam

      production.ready

      Label

      Omgeving

      Beschrijving

      Selecteer de productie- of niet-productieomgeving.

      Weergavevolgorde

      1

      U selecteert 1 om ervoor te zorgen dat deze aangepaste eigenschap als eerste wordt weergegeven in de blueprint.

      Gegevenstype

      Tekenreeks

      Weergeven als

      Vervolgkeuzelijst

      Waarden

      Statische lijst

      Waarden van statische lijst

      Voeg de volgende sleutel-waardeparen toe.

      • Production en prod

      • Non-Production en nonprod

    3. Klik op OK.

    De aangepaste eigenschap production.ready is geconfigureerd en klaar voor gebruik.

  2. Maak een aangepaste eigenschapsdefinitie met een vRealize Orchestrator-actie die uw aangepaste locatie-actie uitvoert.
    1. Selecteer Beheer > Woordenboek voor eigenschappen > Eigenschapsdefinities.
    2. Configureer de opties van de aangepaste eigenschap.

      Voorbeeld van de aangepaste eigenschap datacenter, die wordt gebonden aan production.ready

      Optie

      Voorbeeldwaarden

      Naam

      datacenter

      Label

      Target data center

      Beschrijving

      Selecteer het datacenter op basis van het feit of u een productie- of niet-productieblueprint implementeert.

      Weergavevolgorde

      2

      U selecteert 2 om ervoor te zorgen dat deze aangepaste eigenschap wordt weergegeven na de aangepaste eigenschap production.ready in de blueprint.

      Gegevenstype

      Tekenreeks

      Weergeven als

      Vervolgkeuzelijst

      Waarden

      Externe waarden

      Scriptactie

      Klik op Selecteren en zoek uw actie datacenters_prod.

      De tabel met invoerparameters bevat een parameter met de naam prod.

    3. Selecteer de rij prod in de tabel met invoerparameters en klik op Bewerken.
    4. Schakel het selectievakje Binden in.
    5. Selecteer production.ready in het vervolgkeuzemenu.
    6. Klik op OK.
    7. Klik op OK.

    De aangepaste eigenschap datacenter is geconfigureerd en klaar voor gebruik.

Volgende stappen