Wanneer u de Directories Management-directory instelt om te synchroniseren met Active Directory, geeft u de gebruikerskenmerken op die met de directory moeten worden gesynchroniseerd. Voordat u de directory instelt, kunt u op de pagina Gebruikerskenmerken opgeven welke standaardkenmerken vereist zijn en kunt u indien nodig aanvullende kenmerken toevoegen die u aan Active Directory-kenmerken wilt toewijzen.

Over deze taak

Wanneer u de pagina Gebruikerskenmerken configureert voordat de directory is gemaakt, kunt u standaardkenmerken wijzigen van vereist naar niet-vereist, eventueel kenmerken markeren en aangepaste kenmerken toevoegen.

Raadpleeg Gebruikerskenmerken beheren die vanuit Active Directory worden gesynchroniseerd voor een lijst met de standaard toegewezen kenmerken.

Nadat de directory is gemaakt, kunt u een vereist kenmerk wijzigen zodat dit niet-vereist wordt en u kunt aangepaste kenmerken verwijderen. U kunt een kenmerk niet wijzigen zodat het een vereist kenmerk wordt.

Wanneer u andere kenmerken toevoegt om met de directory te synchroniseren, kunt u, nadat de directory is gemaakt, naar de pagina Toegewezen kenmerken van de directory gaan om deze kenmerken toe te wijzen aan de Active Directory-kenmerken.

Procedure

  1. Meld u als systeem- of tenantbeheerder aan bij vRealize Automation.
  2. Klik op het tabblad Beheer.
  3. Selecteer Beheer van directory's > Gebruikerskenmerken
  4. Controleer in de sectie Standaardkenmerken de lijst met vereiste kenmerken en breng de nodige wijzigingen aan om aan te geven welke kenmerken vereist moeten zijn.
  5. Voeg in de sectie Kenmerken de naam van het Directories Management-directorykenmerk toe aan de lijst.
  6. Klik op Opslaan.

    De standaardkenmerkstatus wordt bijgewerkt en de kenmerken die u hebt toegevoegd, worden aan de lijst Toegewezen kenmerken van de directory toegevoegd.

  7. Nadat de directory is gemaakt, gaat u naar de pagina Identiteitsarchieven en selecteert u de directory.
  8. Klik op Synchronisatie-instellingen > Toegewezen kenmerken.
  9. Selecteer in het vervolgkeuzemenu voor de kenmerken die u hebt toegevoegd, het Active Directory-kenmerk waarnaar u wilt toewijzen.
  10. Klik op Opslaan.

Resultaten

De volgende keer dat de directory met Active Directory wordt gesynchroniseerd, wordt de directory bijgewerkt.