Voor het gebruiken van vRealize Automation is de toepassingsdatabase vereist. U kunt de toepassingsdatabase beheren via de Virtual Appliance Management Interface (VAMI) van de vRealize Automation-toepassing.

Opmerking:

De informatie geldt alleen voor implementaties die een ingesloten toepassingsdatabase gebruiken. Ze geldt niet voor implementaties die een externe Postgres-database gebruiken.

U kunt de database configureren als één knooppunt of met meerdere knooppunten om hoge beschikbaarheid mogelijk te maken via failover. Het vRealize Automation-installatieprogramma bevat een databaseknooppunt in elke vRealize Automation-toepassing-installatie. Als u dus drie instanties van een vRealize Automation-toepassing installeert, hebt u drie databaseknooppunten. Automatische failover wordt geïmplementeerd op van toepassing zijnde implementaties. Voor de toepassingsdatabase is alleen onderhoud vereist als een machineconfiguratie verandert of, als u een geclusterde configuratie gebruikt, een ander knooppunt voor de master promoveert.

Opmerking:

De geclusterde databaseconfiguratie wordt oorspronkelijk ingesteld wanneer u een virtuele toepassing verbindt met het cluster via de bewerking Deelnemen aan cluster. Het databasecluster is niet direct afhankelijk van het cluster met virtuele toepassingen. Een virtual machine die is toegevoegd aan een cluster, kan bijvoorbeeld ook normaal werken als de ingesloten toepassingsdatabase niet is gestart of in geval van een fout.

Een geclusterde configuratie bevat één masterknooppunt en een of meer replicaknooppunten. Het masterknooppunt is het vRealize Automation-toepassingsknooppunt met de masterdatabase die de systeemfunctie ondersteunt. Replicaknooppunten bevatten kopieën van de database die in werking kunnen worden gezet wanneer het masterknooppunt uitvalt.

Er bestaan diverse toepassingsdatabaseopties voor hoge beschikbaarheid. Selectie van de replicatiemodus is de belangrijkste optie voor databaseconfiguratie. De replicatiemodus bepaalt hoe uw vRealize Automation-implementatie gegevensintegriteit waarborgt en, voor configuraties met hoge beschikbaarheid, hoe failover wordt toegepast wanneer het masterknooppunt of het primaire knooppunt niet langer beschikbaar is. Er zijn twee replicatiemodi beschikbaar: synchroon en asynchroon.

Beide replicatiemodi ondersteunen databasefailover, maar elke modus heeft voor- en nadelen. Ter ondersteuning van failover voor een database met hoge beschikbaarheid zijn voor de asynchrone modus minstens twee knooppunten vereist, terwijl er voor de synchrone modus minstens drie knooppunten zijn vereist. In de synchrone modus wordt ook automatische failover opgeroepen.

Replicatiemodus

Voordelen

Nadelen

Synchroon

  • Vermindert kans op gegevensverlies.

  • Roept automatische failover op.

  • Kan de systeemprestaties beïnvloeden.

  • Vereist ten minste drie knooppunten.

Asynchroon

  • Vereist slechts twee knooppunten.

  • Heeft minder invloed op de systeemprestaties dan de synchrone modus.

Niet zo robuust als de synchrone modus in het voorkomen van gegevensverlies.

vRealize Automation ondersteunt beide modi, maar werkt standaard in asynchrone modus en biedt alleen hoge beschikbaarheid wanneer er ten minste twee knooppunten met een toepassingsdatabase zijn. Met het tabblad Database van de Virtual Appliance Management Interface kunt u overschakelen tussen synchronisatiemodi en naar wens databaseknooppunten toevoegen.

Wanneer de synchrone modus actief is, wordt automatische failover in vRealize Automation opgeroepen.

Als u met één knooppunt begint in een configuratie zonder hoge beschikbaarheid, kunt u later naar wens knooppunten toevoegen om de beschikbaarheid te verbeteren. Als u over geschikte hardware beschikt en behoefte hebt aan maximale bescherming tegen gegevensverlies, kunt u overwegen uw implementatie uit te voeren in synchrone modus.