Als u de vRealize Automation-gastagent in uw sjablonen voor klonen of in uw WinPE hebt geïnstalleerd, kunt u aangepaste eigenschappen gebruiken om aangepaste scripts uit te voeren in het gastbesturingssysteem van een ingerichte machine nadat de machine volledig is geïmplementeerd.

Zie Gastagent voor vRealize Automation gebruiken bij de inrichting voor gerelateerde informatie.

Tabel 1. Aangepaste eigenschappen voor het aanpassen van ingerichte machines met een gastagent

Aangepaste eigenschap

Beschrijving

VirtualMachine.Admin.AddOwnerToAdmins

Stel dit in op True (standaardwaarde) om de eigenaar van de machine, zoals opgegeven door de eigenschap VirtualMachine.Admin.Owner, toe te voegen aan de groep met lokale beheerders op de machine.

Deze eigenschap is niet beschikbaar voor inrichting door klonen.

VirtualMachine.Admin.AllowLogin

Stel dit in op True (standaardwaarde) om de machine-eigenaar toe te voegen aan de groep met lokale Remote Desktop-gebruikers, zoals opgegeven door de eigenschap VirtualMachine.Admin.Owner.

VirtualMachine.Admin.UseGuestAgent

Als de gastagent geïnstalleerd is als een service op een sjabloon voor klonen, stelt u dit in op True op de machineblueprint om de gastagentservice in te schakelen op machines die gekloond zijn vanaf die sjabloon. Als de machine wordt gestart, wordt de gastagentservice gestart. Stel dit in op False om de gastagent uit te schakelen. Als dit is ingesteld op False, zal de uitgebreide kloonwerkstroom de gastagent niet gebruiken voor gastbesturingssysteemtaken, waardoor de functionaliteit ervan wordt beperkt tot VMwareCloneWorkflow. Als dit niet is opgegeven of als dit is ingesteld op iets anders dan False, zal de uitgebreide kloonwerkstroom werkitems naar de gastagent verzenden.

VirtualMachine.DiskN.Active

Stel dit in op True (standaardwaarde) om op te geven dat schijf N van de machine actief is. Stel dit in op False om op te geven dat schijf N van de machine niet actief is.

VirtualMachine.DiskN.Size

Definieert de grootte in GB van schijf N. Als u bijvoorbeeld een grootte van 150 GB wilt opgeven voor schijf G, definieert u de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Disk0.Size en voert u een waarde van 150 in. De nummering van schijven moet opeenvolgend zijn. Standaard heeft een machine één schijf waarnaar wordt verwezen door VirtualMachine.Disk0.Size, waarbij de grootte wordt opgegeven door de opslagwaarde op de blueprint waarvan de machine wordt ingericht. De opslagwaarde op de gebruikersinterface van de blueprint overschrijft de waarde in de eigenschap VirtualMachine.Disk0.Size. De eigenschap VirtualMachine.Disk0.Size is niet beschikbaar als een aangepaste eigenschap omwille van zijn relatie met de opslagoptie op de blueprint. Er kunnen meer schijven worden toegevoegd door VirtualMachine.Disk1.Size, VirtualMachine.Disk2.Size enzovoort op te geven. VirtualMachine.Admin.TotalDiskUsage vertegenwoordigt altijd de totale grootte van de eigenschappen .DiskN.Size plus de VMware.Memory.Reservation-groottetoewijzing.

VirtualMachine.DiskN.Label

Geeft het label op voor schijf N van een machine. De maximumgrootte van het schijflabel is 32 tekens. De nummering van schijven moet opeenvolgend zijn. Als dit wordt gebruikt in combinatie met een gastagent, geeft dit het label op van schijf N van een machine in het gastbesturingssysteem.

VirtualMachine.DiskN.Letter

Geeft de stationsletter of het koppelpunt van de schijf N van een machine op. De standaardwaarde is C. Als u bijvoorbeeld de letter D wilt opgeven voor Schijf 1, definieert u de aangepaste eigenschap als VirtualMachine.Disk1.Letter en voert u de waarde D in. De nummering van schijven moet opeenvolgend zijn. Als dit wordt gebruikt in combinatie met een gastagent, geeft deze waarde de stationsletter of het koppelpunt op waaronder een aanvullende schijf N wordt gekoppeld door de gastagent in het gastbesturingssysteem.

VirtualMachine.Admin.CustomizeGuestOSDelay

Geeft de tijd op die u moet wachten nadat de aanpassing is voltooid en voordat u de aanpassing van het gastbesturingssysteem kunt starten. De waarde moet de indeling UU:MM:SS hebben. Als de waarde niet is ingesteld, is de standaardwaarde één minuut (00:01:00). Als u ervoor kiest om deze aangepaste eigenschap niet op te nemen, kan de inrichting mislukken als de virtual machine opnieuw wordt opgestart voordat de gastagentwerkitems zijn voltooid.

VirtualMachine.Customize.WaitComplete

Stel dit in op True om te verhinderen dat de inrichtingswerkstroom werkitems verzendt naar de gastagent totdat alle aanpassingen zijn voltooid.

VirtualMachine.SoftwareN.Name

Geeft de beschrijvende naam op van de softwaretoepassing N die of het script dat moet worden geïnstalleerd of uitgevoerd tijdens inrichting. Dit is een optionele eigenschap die slechts ter informatie wordt gegeven. Deze heeft geen echte functie voor de uitgebreide kloonwerkstroom of de gastagent, maar is nuttig voor een aangepaste softwareselectie in een gebruikersinterface of voor rapportage over softwaregebruik.

VirtualMachine.SoftwareN.ScriptPath

Geeft het volledige pad op naar het installatiescript van een toepassing. Het pad moet een geldig absoluut pad zijn zoals gezien door het gastbesturingssysteem en moet de naam van de scriptbestandsnaam bevatten.

U kunt ook aangepaste eigenschapswaarden als parameters doorgeven naar het script door {CustomPropertyName} in de padtekenreeks toe te voegen. Als u bijvoorbeeld een aangepaste eigenschap hebt met de naam ActivationKey waarvan de waarde 1234 is, dan is het scriptpad D:\InstallApp.bat –key {ActivationKey}. De gastagent voert de opdracht D:\InstallApp.bat –key 1234 uit. Uw scriptbestand kan vervolgens worden geprogrammeerd om deze waarde te accepteren en te gebruiken.

Voeg {Owner} toe om de naam van de machine-eigenaar door te geven naar het script.

Ook kunt u de waarden van aangepaste eigenschappen doorgeven als parameters voor het script door {UwAangepasteEigenschap} in de tekenreeks voor het pad in te voegen. Wanneer bijvoorbeeld de waarde \\vra-scripts.mycompany.com\scripts\changeIP.bat wordt opgegeven, wordt het script changeIP.bat uitgevoerd vanuit een gedeelde locatie. Maar als de waarde \\vra-scripts.mycompany.com\scripts\changeIP.bat {VirtualMachine.Network0.Address} wordt opgegeven, wordt het script changeIP uitgevoerd, maar wordt ook de waarde van de VirtualMachine.Network0.Address-eigenschap doorgegeven aan het script als een parameter.

VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt

Hiermee kan vRealize Automation een versleutelde tekenreeks verkrijgen die als een goed geformatteerde aangepaste eigenschap van VirtualMachine.SoftwareN.ScriptPath wordt doorgegeven aan de opdrachtregel gugent.

U kunt een versleutelde tekenreeks, zoals uw wachtwoord, als aangepaste eigenschap in een argument voor een opdrachtregel opgeven. Hierdoor kunt u versleutelde gegevens opslaan die de gastagent kan ontsleutelen en lezen als een geldig argument voor de opdrachtregel. De tekenreeks van de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Software0.ScriptPath = c:\dosomething.bat password is bijvoorbeeld niet veilig, omdat deze een daadwerkelijk wachtwoord bevat.

Om het wachtwoord te versleutelen, kunt u een aangepaste eigenschap van vRealize Automation maken (bijvoorbeeld MyPassword = password), en versleuteling inschakelen door het beschikbare selectievakje in te schakelen. De gastagent ontsleutelt de invoer [MijnWachtwoord] naar de waarde in de aangepaste eigenschap MyPassword en voert het script uit als c:\dosomething.bat password.

  • Maak de aangepaste eigenschap MyPassword = wachtwoord, waarbij wachtwoord de waarde van uw daadwerkelijke wachtwoord is. Schakel versleuteling in door het beschikbare selectievakje in te schakelen.

  • Stel de aangepaste eigenschap VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt in op VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt = true.

  • Stel de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Software0.ScriptPath in op VirtualMachine.Software0.ScriptPath = c:\dosomething.bat [MijnWachtwoord].

Als u VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt instelt op onwaar, of als u niet de aangepaste eigenschap VirtualMachine.ScriptPath.Decrypt maakt, wordt de tekenreeks tussen de vierkante haken ( [ en ] ) niet versleuteld.

VirtualMachine.SoftwareN.ISOName

Geeft het pad en de bestandsnaam van het ISO-bestand op ten opzichte van de datastorehoofdmap. De indeling is /folder_name/subfolder_name/file_name.iso. Als er geen waarde is opgegeven, wordt de ISO niet gekoppeld.

VirtualMachine.SoftwareN.ISOLocation

Geeft het opslagpad op dat het ISO-installatiekopiebestand bevat dat moet worden gebruikt door de toepassing of het script. Gebruik de indeling van het pad zoals het op de hostreservering wordt weergegeven, bijvoorbeeld netapp-1:it_nfs_1. Als er geen waarde is opgegeven, wordt de ISO niet gekoppeld.