Zorg voor een succesvolle migratie naar een omgeving met hoge beschikbaarheid door de volgende vereisten te bekijken.

Omgevingen met een hoge beschikbaarheid kunnen variëren in grootte. Een gedistribueerde basisimplementatie kan vRealize Automation eenvoudig verbeteren door IaaS-onderdelen op afzonderlijke Windows-servers te hosten. Veel omgevingen met een hoge beschikbaarheid gaan nog verder, met redundante toepassingen, redundante servers en load balancing voor nog meer capaciteit. Grote, gedistribueerde implementaties zorgen voor beter schaling, hoge beschikbaarheid en noodherstel.

Figuur 1. vRealize Automation-omgeving met hoge beschikbaarheid
vRealize Automation-omgeving met hoge beschikbaarheid

Voorwaarden

  • Controleer of u een nieuwe doelinstallatie hebt van vRealize Automation met een primaire en secundaire virtuele toepassing die is geconfigureerd voor hoge beschikbaarheid. Zie Overwegingen bij configuratie met hoge beschikbaarheid van vRealize Automation.

  • Controleer of alle virtual appliances van vRealize Automation hetzelfde wachtwoord gebruiken voor de rootgebruiker.

  • Installeer relevante proxyagenten in de doelomgeving in overeenstemming met deze vereisten.

    • De naam van de doelproxyagent moet overeenkomen met de naam van de bronproxyagent voor vSphere, Hyper-V, Citrix XenServer en testproxyagenten.

      Opmerking:

      Voer de volgende stappen uit om een agentnaam te verkrijgen.

      1. Meld u op de IaaS-host aan bij Windows als een lokale gebruiker met beheerdersrechten.

      2. Gebruik Windows Verkenner om naar de agentinstallatiemap te gaan.

      3. Open het bestand VRMAgent.exe.config.

      4. Zoek onder de tag serviceConfiguration naar de waarde van het attribuut agentName.

    • De endpointnaam van de doelproxyagent moet overeenkomen met de endpointnaam van de bronproxyagent voor vSphere, Hyper-V, Citrix XenServer en testproxyagenten.

    • Maak geen endpoint voor vSphere, Hyper-V, Citrix XenServer of testproxyagenten in de doelomgeving.

  • Controleer de versienummers van vRealize Automation-onderdelen op de vRealize Automation-doeltoepassing.

    1. In uw vRealize Automation-doelomgeving meldt u zich aan bij de beheerinterface van de vRealize Automation-toepassing als root.

      https://vrealize-automation-appliance-FQDN:5480

    2. Selecteer Cluster.

    3. Klik op de knop Uitvouwen om de records voor host-/knooppuntnaam uit te vouwen zodat u de onderdelen kunt zien.

      Controleer of de versienummers van vRealize Automation-onderdelen overeenkomen met alle virtual appliance-knooppunten.

      Controleer of de versienummers van vRealize Automation IaaS-onderdelen overeenkomen met alle IaaS-knooppunten.

  • Controleer Knowledge Base-artikel 51531.

  • Voer deze stappen uit om verkeer alleen naar het masterknooppunt te leiden.

    1. Schakel alle redundante knooppunten uit.

    2. Verwijder de statuscontroles voor deze items in overeenstemming met de documentatie voor uw load balancer:

      • vRealize Automation virtual appliance

      • IaaS-website

      • IaaS Manager Service

  • Controleer of de doelversie van Microsoft SQL Server voor de IaaS vRealize Automation-doeldatabase 2012, 2014 of 2016 is.

  • Controleer of poort 22 geopend is tussen de vRealize Automation-bron- en -doelomgevingen. Poort 22 is vereist om SSH-verbindingen (Secure Shell) tot stand te brengen tussen virtuele doel- en brontoepassingen.

  • Controleer of het vCenter-eindpunt over voldoende resources beschikt om de migratie te voltooien.

  • Controleer of u de time-outinstellingen voor de load balancer hebt gewijzigd van de standaardinstellingen in minimaal 10 minuten.

  • Controleer of de systeemtijd van de doelomgeving vRealize Automation is gesynchroniseerd tussen Cafe en de IaaS-onderdelen.

  • Controleer of de IaaS Web Service- en Model Manager-knooppunten in de doelomgeving de juiste Java Runtime Environment hebben. U moet JRE 8 (Java SE Runtime Environment), 64 bits, update 181 of hoger hebben geïnstalleerd. Zorg ervoor dat de JAVA_HOME-systeemvariabele verwijst naar de Java-versie die u op elk IaaS-knooppunt hebt geïnstalleerd. Pas het pad zo nodig aan.

  • Controleer of op elk IaaS-knooppunt ten minste PowerShell 3.0 of later is geïnstalleerd.

  • Controleer of de vRealize Automation-bron- en -doelomgevingen actief zijn.

  • Controleer of er geen gebruikers- en inrichtingsactiviteiten plaatsvinden in de vRealize Automation-bronomgeving.

  • Controleer of de antivirus- of beveiligingssoftware op de IaaS-knooppunten in de vRealize Automation-doelomgeving die interactie heeft met het besturingssysteem en de bijbehorende onderdelen, goed is geconfigureerd of is uitgeschakeld.

  • Controleer of de IaaS Web Service en Model Manager niet opnieuw moeten worden opgestart vanwege Windows installatie-updates die in behandeling zijn. Door in behandeling zijnde updates kan de migratie mogelijk de World Wide Web Publishing Service niet starten of beëindigen.

Volgende stappen

Taken vóór de migratie.