Op de pagina Agenten brengt u de koppeling tot stand tussen vRealize Automation IaaS en de virtualisatieresources waarop de infrastructuur wordt geïmplementeerd. U selecteert een agenttype en vult de gegevens voor het bijbehorende endpoint in.

  • Meerdere agenten van hetzelfde of een ander type worden ondersteund.

  • U kunt agenten installeren op dezelfde server of op afzonderlijke servers.

  • U kunt maximaal 25 agenten van een willekeurig type op dezelfde server installeren.

  • Wanneer u meerdere agenten van hetzelfde type op dezelfde server installeert, moet elke agent een unieke naam en een ander endpoint hebben.

  • Voor hoge beschikbaarheid kunt u een agent van hetzelfde type en met dezelfde naam en endpoint op afzonderlijke servers installeren.

  • vSphere is gewoonlijk een van de agenttypen.

  • U kunt agenten na installatie toevoegen.

Agenttypen

Tabel 1. vSphere

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer vSphere in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Endpoint

Voer een naam in voor het vSphere-endpoint.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 2. EPI PowerShell

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer EpiPowerShell in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Type

Selecteer in de vervolgkeuzelijst welk merk inrichting het EPiServer-endpoint host.

Server

Voer de FQDN van de EPiServer in.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 3. HyperV

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer Hyper-V in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Gebruikersnaam

Voer het aanmeldingsaccount voor de HyperV-endpointinstantie in.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 4. VDI PowerShell

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer VdiPowerShell in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Type

Het endpointtype wordt standaard ingesteld op XenDesktop en kan niet worden gewijzigd.

Server

Voer de FQDN van het XenDesktop-endpoint in.

XenDesktop-versie

Selecteer de versie in de vervolgkeuzelijst.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 5. Xen

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer Xen in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Gebruikersnaam

Voer het aanmeldingsaccount voor de Xen-endpointinstantie in.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 6. WMI

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer WMI in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.

Tabel 7. Test

Instelling

Beschrijving

Agenttype

Selecteer Test in de vervolgkeuzelijst.

IaaS-hostnaam

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de FQDN van de IaaS Windows-machine die als host fungeert voor de agent.

Agentnaam

Voer een unieke id in tenzij u voor hoge beschikbaarheid dezelfde agentnaam en hetzelfde endpoint toevoegt voor afzonderlijke servers.

Installatiepad

Laat deze optie uitgeschakeld als u de standaardlocatie %ProgramFiles(x86)%\VMware wilt accepteren of voer een alternatieve locatie in.

Als u meerdere IaaS-onderdelen op dezelfde Windows-machine installeert, installeert u deze allemaal in hetzelfde installatiepad.

Gebruikersnaam

Voer in de indeling DOMEIN\gebruikersnaam het serviceaccount in. Het account moet een domeinaccount met lokale beheerdersrechten op de IaaS Windows-server zijn.

Wachtwoord

Voer het wachtwoord van het account in.