U kunt gegevensrolloverinstellingen configureren voor vRealize Automation om te beheren hoe uw systeem verouderde gegevens bewaart, archiveert en verwijdert.

Gebruik de functie voor gegevensrollover om rollover in te schakelen, stel het maximum aantal dagen in dat vRealize Automation gegevens moet behouden in de IaaS SQL Server-database voordat deze worden gearchiveerd of verwijderd, en kies andere instellingen voor gegevensrollover.

Standaard is de functie voor gegevensrollover uitgeschakeld.

U configureert de gegevensrolloverinstellingen op de pagina Algemene instellingen van vRealize Automation. Als deze functie is ingeschakeld, worden hiermee gegevens opgevraagd en verwijderd uit de volgende SQL Server-databasetabellen.

  • UserLog
  • Audit
  • CategoryLog
  • VirtualMachineHistory
  • VirtualMachineHistoryProp
  • AuditLogItems
  • AuditLogItemsProperties
  • TrackingLogItems
  • WorkflowHistoryInstances
  • WorkflowHistoryResults

Als u DataRolloverIsArchiveEnabled instelt op True, worden archiefversies van de tabellen gemaakt in het dbo-schema. De archiefversie van UserLog zou bijvoorbeeld UserLogArchive zijn en de archiefversie van VirtualMachineHistory zou VirtualMachineHistoryArchive zijn.

Wanneer de functie voor gegevensrollover is ingeschakeld, wordt deze eenmaal per dag op het vooraf vastgelegde tijdstip van 03.00 uur uitgevoerd op basis van de tijdzoneconfiguratie van de vRealize Automation-toepassing. Met behulp van de instelling DataRollover MaximumAgeInDays kunt u het maximum aantal dagen instellen dat u de gegevens wilt behouden. Dit proces wordt over het algemeen snel uitgevoerd, binnen enkele minuten tot een uur. Wanneer deze functie voor het eerst wordt ingeschakeld, is het echter mogelijk dat het proces een groot aantal gegevens moeten archiveren/verwijderen en daardoor langer duurt. Dit proces is ontworpen om te worden uitgevoerd totdat het is voltooid. Het voert zijn werk uit in kleine, snelle transactionele werksegmenten met een bepaalde batchgrootte om gelijktijdigheidsconflicten te vermijden. Dit proces kan correct worden stopgezet zoals hieronder beschreven.

Opmerking: U kunt het gegevensrolloverproces stopzetten door de instelling van DataRollover Status te wijzigen van Actief in Uitgeschakeld of Ingeschakeld. Het lopende proces wordt dan correct afgesloten. Er gaat geen werk verloren. Alle gegevens die zijn gearchiveerd of verwijderd op het moment dat u het proces stopzet worden opgeslagen.

Als DataRollover IsArchiveEnabled wordt ingesteld op True, worden gegevens die ouder zijn dan opgegeven in de instelling DataRollover MaximumAgeInDays naar de archieftabellen verplaatst. Als DataRollover IsArchiveEnabled wordt ingesteld op False, worden gegevens permanent verwijderd en vindt geen gegevensarchivering plaats. Verwijderde gegevens kunnen niet worden hersteld.

Procedure

  1. Meld u aan bij de vRealize Automation-console als systeembeheerder.
  2. Selecteer Infrastructuur > Beheer > Algemene instellingen.
  3. Zoek het gedeelte Gegevensrollover van de tabel op de pagina Algemene instellingen en bekijk en configureer de instellingen.
    Instelling Beschrijving
    DataRollover BatchSize

    De standaardinstelling is 2000 en hoeft wellicht niet te worden gewijzigd. Als er echter prestatieproblemen optreden, kan een kleinere BatchSize helpen. Met een grotere BatchSize wordt het werk mogelijk sneller uitgevoerd, maar komt de gelijktijdige verwerking in het gedrang. Het geldige bereik is 100 tot 20.000.

    DataRollover IsArchiveEnabled

    Geeft op of rollovergegevens moeten worden verplaatst naar archieftabellen nadat het maximum aantal dagen is bereikt.

    Deze waarde is standaard ingesteld op True.

    Als u deze waarde instelt op False, worden alle gegevens die ouder zijn dan wat is opgegeven in de instelling DataRollover MaximumAgeInDays, permanent verwijderd.

    DataRollover MaximumAgeInDays

    Geeft het maximum aantal dagen op dat het systeem de gegevens behoudt in de database voordat deze worden verplaatst of permanent worden verwijderd.

    Deze waarde is standaard ingesteld op 90 dagen.

    DataRollover Status

    Geeft op of gegevensrollover moet worden ingeschakeld.

    Deze waarde is standaard ingesteld op Disabled. Stel de waarde in op Enabled om gegevensrollover in te schakelen.

    DataRollover VirtualMachineHistory BatchSize

    Geeft de batchgrootte op in de tabel VirtualMachineHistory binnen een bereik van 1 tot 5 records. De standaardwaarde is 1.

    DataRollover UpdateStatistics

    UpdateStatistics is standaard uitgeschakeld, maar het wordt sterk aanbevolen om deze in te schakelen (ingesteld op 1). Bijgewerkte statistieken zijn immers goed voor de queryprestaties. Dit zorgt ervoor dat de opgeslagen procedure [dbo].[usp_DataRollover] de opdracht statistieken bijwerken uitvoert op de tabellen nadat het archiveringsproces is uitgevoerd.

  4. Klik op het pictogram Bewerken (pictogram Bewerken) in de eerste tabelkolom om een instelling te bewerken.
    Het gebied Waarde voor de toepasselijke instelling wordt bewerkbaar.
  5. Klik op het pictogram Opslaan () in de eerste tabelkolom om de wijzigingen op te slaan.