De voorwaarden die u opgeeft voor een abonnement, bepalen of de werkstroom wordt geactiveerd op basis van de gebeurtenisgegevens.

U kunt werkstroomvoorwaarden definiëren om te bepalen hoe een werkstroom wordt gestart. Als u Uitvoeren op basis van voorwaarden selecteert, kunnen onder meer de volgende typen beschikbaar worden:

  • Gegevens

    Dit omvat informatie in het gebeurtenisbericht die specifiek gericht is op het geselecteerde gebeurtenisonderwerp. Als u bijvoorbeeld een voorwaarde maakt voor het gebeurtenisonderwerp over de levenscyclus van de virtual machine, zijn de gegevensvelden gerelateerd aan blueprints en virtual machines. Als u een gebeurtenisonderwerp over pre-goedkeuring selecteert, zijn de gegevensvelden gerelateerd aan goedkeuringsbeleid.

    U kunt ook voorwaarden toevoegen voor velden die niet tot het schema behoren, door het pad op te geven in het tekstvak boven de structuur. Gebruik de notatie ${PATH}. PATH is het pad voor het schema. Gebruik een ~ om de knooppunten van elkaar te scheiden. Bijvoorbeeld: ${data~machine~properties~SomeCustomProperty}.

  • Kernwaarden voor het gebeurtenisbericht

    Dit omvat algemene informatie over het gebeurtenisbericht. Bijvoorbeeld een gebeurtenistype, tijdstempel, of gebruikersnaam.

Voorwaarden

Procedure

  1. Selecteer Beheer > Gebeurtenissen > Abonnementen.
  2. Klik op Nieuw en selecteer een Gebeurtenisonderwerp.
  3. Klik op Volgende en definieer uw Werkstroomvoorwaarden.
    Tabel 1. Voorwaardetypen
    Voorwaarde Beschrijving
    Uitvoeren voor alle gebeurtenissen De geselecteerde werkstroom wordt uitgevoerd wanneer het bericht voor dit gebeurtenisonderwerp wordt ontvangen.
    Uitvoeren op basis van voorwaarden De geselecteerde werkstroom wordt uitgevoerd wanneer het gebeurtenisbericht wordt gedetecteerd en de gebeurtenis voldoet aan de gestelde voorwaarden.

    Als u deze optie selecteert, moet u voorwaarden definiëren op basis van de gebeurtenisgegevens om de geselecteerde werkstroom voor dit abonnement te activeren.

    • Enkele voorwaarde. De werkstroom wordt geactiveerd wanneer de geconfigureerde component waar is.
    • Alle volgende. De werkstroom wordt getriggerd wanneer alle componenten waar zijn en u ten minste twee voorwaarden hebt opgegeven.
    • Eender welke van de volgende. De werkstroom wordt getriggerd wanneer ten minste één van de componenten waar is en u ten minste twee voorwaarden hebt opgegeven.
    • Niet de volgende. De werkstroom wordt getriggerd wanneer geen enkele component waar is.

    Als u een voorwaarde maakt op basis van een constante waarde, wordt de waarde verwerkt als niet-hoofdlettergevoelig. Als uw voorwaarde bijvoorbeeld 'Naam blueprint bevat UNIX' is, maar uw blueprints Unix gebruiken in de naam, wordt de voorwaarde toch correct verwerkt.

    Als u de naam in de voorwaarde wilt wijzigen zodat deze overeenkomt met de naam van de blueprint, moet u de waarde eerst wijzigen in een waarde die niet dezelfde tekenreeks bevat. Als u bijvoorbeeld de voorwaarde UNIX bewerkt, wijzigt u de waarde in xxxx, slaat u deze op, wijzigt u xxxx in Unix en slaat u de wijziging op.