Hiermee maakt u een CSV-gegevensbestand dat wordt gebruikt om virtual machines te importeren in een implementatie van vRealize Automation.

Samenvatting

CloudUtil.exe Machine-BulkRegisterExport [-b|--blueprint] [-m|--managed] [-e|--exportNames] [-p|--properties] -f|--filename <Value> [-g|--group <Value>] [-i|--ignore] [-o|--owner <Value>] [-t|--machinetype <Value>] [-n|--resourceName <Value>] [-r|--resourceType <Value>] [--repository <Value>] [-sn|--sourcename <Value>] [-st|--sourcetype <Value>] -u|--user <value> [-v|--verbose]

Argumenten voor Machine-BulkRegisterExport

Tabel 1.
Argument Beschrijving
-b | - -blueprint (Optioneel) Hiermee neemt u de naam van de blueprint op.
-e | - -exportNames (Optioneel) Hiermee exporteert u namen in plaats van GUID's.
-f | - -filename Hiermee geeft u de naam op van het CSV-gegevensbestand dat een lijst met machinenamen bevat. Bijvoorbeeld, bestandsnaam.csv. Dit bestand wordt standaard in het huidige pad opgeslagen. U kunt ook het volledige pad opgeven naar een map die de voorkeur heeft.
-g | - -group (Optioneel) Hiermee geeft u de naam van de bedrijfsgroep op. Bijvoorbeeld, Engineering.
-i | - -ignore (Optioneel) Hierdoor worden ongeldige argumenten genegeerd.
-m | - -managed (Optioneel) Hierdoor worden beheerde virtual machines geëxporteerd. De standaardwaarde is het exporteren van onbeheerde virtual machines.
-n | - -resourceName (Optioneel) Als u wilt filteren op de naam van de bron, geeft u hier de naam op van de computerbron of het endpoint.
-o | - -owner (Optioneel) Hiermee geeft u de eigenaar van de geïmporteerde virtual machine op. Bijvoorbeeld, jsmits.
-p | - -properties (Optioneel) Hierdoor worden de eigenschappen voor beheerde virtual machines geëxporteerd.
-r | - -resourceType (Optioneel) Als u wilt filteren op brontype, geeft u hier 1 op voor computerbron of 2 voor endpoint.

- -repository

(Optioneel) De hoofd-URI van Model Manager, bijvoorbeeld: http://hostname/repository. Standaard wordt deze vermeld in het configuratiebestand voor CloudUtil in de sleutel repositoryAddress onder de sectie <appSettings>.

-sn | - -sourcename (Optioneel) Hiermee geeft u de naam van het cluster of het endpoint op.
-st | - -sourcetype (Optioneel) Hiermee geeft u het brontype op als cluster of endpoint.
-t | - -machinetype (Optioneel) Hiermee geeft u het type machine op dat wordt geëxporteerd. Bijvoorbeeld, Virtual, Physical, Cloud, AppService, vApp.
-u | - -user Hiermee geeft u de materiaalbeheerder op die de bulkregistratie uitvoert.

-v | - -verbose

(Optioneel) Zorgt ervoor dat er een stack-tracering wordt uitgevoerd in plaats van enkel een uitzonderingsbericht, wanneer er een fout optreedt.