Het netwerkprofiel identificeert de eigenschappen van het NAT-netwerk op aanvraag, het onderliggende externe netwerkprofiel, het NAT-type en andere waarden die bij de inrichting van het netwerk worden gebruikt met behulp van de ingebedde vRealize Automation IPAM.

Zie Informatie opgeven voor een NAT-netwerkprofiel met een extern IPAM-endpoint als u een NAT-netwerkprofiel wilt maken dat gebruikmaakt van een extern IPAM-endpoint.

Voorwaarden

Procedure

  1. Selecteer Infrastructuur > Reserveringen > Netwerkprofielen.
  2. Klik op Nieuw en selecteer NAT in het vervolgkeuzemenu.
  3. Voer een naam in en desgewenst een beschrijving.
  4. Accepteer de standaardwaarde IPAM-endpoint voor het opgegeven endpoint vRealize Automation IPAM.
  5. Selecteer een bestaand extern netwerkprofiel in het vervolgkeuzemenu Extern netwerkprofiel.
  6. Kies een een-op-een of een-op-veel type netwerkadresvertaling in het vervolgkeuzemenu NAT-type.
    Optie Beschrijving
    Een-op-een

    Wijs een extern, statisch IP-adres toe aan elke netwerkadapter. Elke machine heeft toegang tot het externe netwerk en is bereikbaar vanuit het externe netwerk.

    Alle externe IP-adressen die aan een NSX Edge-uplink zijn toegewezen, moeten deel uitmaken van hetzelfde subnet. Wanneer u NAT één-op-één gebruikt in vRealize Automation, mag het overeenkomende externe netwerkprofiel alleen IP-bereiken bevatten die binnen één subnet bestaan.

    Een-op-veel

    Eén extern IP-adres wordt gedeeld door alle machines in het netwerk. Een interne machine kan gebruikmaken van DHCP of statische IP-adressen. Elke machine heeft toegang tot het externe netwerk maar geen enkele machine is bereikbaar vanuit het externe netwerk. Als u deze optie selecteert, wordt het selectievakje Ingeschakeld in de DHCP-groep ingeschakeld.

    Voor NSX for vSphere kunt u met het type netwerkadresomzetting NAT een-op-veel NAT-regels definiëren wanneer u een NAT-netwerkonderdeel aan een blueprint toevoegt.

    NSX for vSphere ondersteunt een-op-een en een-op-veel NAT-netwerken, maar NSX-T ondersteunt alleen een-op-veel NAT-netwerken.

  7. Voer een IP-subnetmasker in het tekstveld Subnetmasker in.
    Het subnetmasker bepaalt de grootte van de volledige routeerbare adresruimte die u voor uw netwerkprofiel wilt definiëren.
    Voer bijvoorbeeld 255.255.0.0 in.
  8. Voer een adres van een geleide gateway in, bijvoorbeeld 10.10.110.1, in het tekstvak Gateway.

    Het IP-adres van de gateway dat is gedefinieerd in het netwerkprofiel, wordt toegekend aan de NIC tijdens de toewijzing. De gateway is vereist voor NAT-netwerkprofielen.

    De standaardgateway van de DHCP-server voor NSX-T komt overeen met de NAT een-op-veel-standaardgateway. De standaardgateway van de IP-pool komt overeen met de NAT één-op-veel standaardgateway in vRealize Automation.

    Als geen waarde is opgegeven in het tekstvak Gateway in het netwerkprofiel, moet u de aangepaste eigenschap VirtualMachine.Network0.Gateway gebruiken om een gateway toe te wijzen.

  9. (Optioneel) Schakel in de DHCP-groep het selectievakje Ingeschakeld in en voer de waarden voor eerste IP-bereik en laatste IP-bereik- in.

    U kunt het selectievakje alleen inschakelen, als u het NAT-type hebt ingesteld op een-op-veel.

    Voor NSX-T komt het eerste IP-adres in het IP-poolbereik overeen met het IP-adres van de DHCP-server dat is gedefinieerd met de instelling <FirstIpInPool>/<subnetMaskOfNat>. De IP-pool in NSX-T start met het tweede IP-adres.

  10. (Optioneel) Stel een DHCP-leasetijd in om te definiëren hoe lang een machine een IP-adres kan gebruiken.
  11. Klik op het tabblad DNS.
  12. Voer indien nodig de DNS- en WINS-waarden in.

    Gebruik DNS-waarden voor de naamregistratie en -omzetting. De waarden zijn optioneel voor interne IPAM. De waarden worden geleverd door de externe IPAM-provider voor externe IPAM.

    1. (Optioneel) Voer een Primaire DNS-serverwaarde in.
    2. (Optioneel) Voer een Secundaire DNS-serverwaarde in.
    3. (Optioneel) Voer een waarde voor DNS-achtervoegsels in.
    4. (Optioneel) Voer een waarde voor DNS-zoekachtervoegsels in.
    5. (Optioneel) Voer een Preferred WINS-serverwaarde in.
    6. (Optioneel) Voer een Alternate WINS-serverwaarde in.

Volgende stappen

IP-bereiken configureren voor een NAT-netwerkprofiel met het vRealize Automation IPAM-endpoint.