Een lijst met aangepaste eigenschappen van vRealize Automation die beginnen met een underscore (_).

Tabel 1. Tabel met aangepaste eigenschappen met een underscore (_)
Eigenschap Beschrijving
_debug_deployment

Behalve bij schalingsbewerkingen waarmee u gedeeltelijk succesvolle implementaties kunt uitvoeren, is het standaardgedrag het vernietigen van de gehele implementatie als een van de individuele bronnen niet kan worden ingericht. U kunt dit standaardgedrag overschrijven door de aangepaste eigenschap _debug_deployment in te stellen op true. Als de inrichting mislukt, voorkomt de aangepaste foutopsporingseigenschap dat de bronnen worden teruggedraaid zodat u kunt onderzoeken welke onderdelen het probleem hebben veroorzaakt.

Met andere woorden, door _debug_deployment in te stellen op true, kunt u fouten bij het aanpassen en de eerste keer opstarten (bijvoorbeeld agent) eenvoudiger oplossen, omdat de instelling ervoor zorgt dat machines niet worden vernietigd na een inrichtingsfout. Anders verandert de instelling niet rechtstreeks iets in het inrichtingsproces of heeft ze geen invloed op de gastagent of aanpassing (bijvoorbeeld instellingen van resultaten in verhouding tot vCenter-aanpassingsspecificaties).

Opmerking: een mislukt catalogusitem is normaal niet toegankelijk, omdat het onmiddellijk wordt teruggedraaid wanneer het mislukt. Maar wanneer _debug_deployment is ingesteld op true, behandelt vRealize Automation de anders mislukte implementatie als gedeeltelijk gelukt, zodat de toegankelijkheid wordt hersteld.

Wanneer u een blueprint maakt of bewerkt, kunt u deze aangepaste eigenschap instellen door _debug_deployment toe te voegen aan de pagina Blueprinteigenschappen (via het tabblad Eigenschappen). De _debug_deployment-eigenschap wordt verbruikt op het niveau van de software-inrichting, niet op het niveau van de gastagent of de machine-inrichting.

U kunt tevens vRealize Automation configureren zodat de virtual machines na de implementatiefout niet worden verwijderd door de instellingen in het bestand VRMAgent.exe.config te gebruiken.

_deploymentName
Als u deze eigenschap toevoegt aan een blueprint, kunt u een aangepaste naam voor de implementatie opgeven door de waarde van _deploymentName te wijzigen in de gewenste tekenreeks. Als er meer dan één instantie van deze implementatie wordt ingericht in één aanvraag, wordt uw aangepaste naam een voorvoegsel. Als u wilt dat gebruikers hun eigen implementatienamen opgeven, moet u instellen dat deze aangepaste eigenschap kan worden overschreven. Er gelden twee voorwaarden voor dit gebruik:
  • U moet deze eigenschap niet aan het onderdeel toevoegen, maar aan de blueprint. Als u bijvoorbeeld een blueprint maakt of bewerkt, klikt u op het tabblad Eigenschappen en selecteert u Aangepaste eigenschappen > Nieuw om de eigenschap _deploymentName toe te voegen aan de blueprint. Voeg de eigenschap niet toe aan een machine of een ander onderdeel van de blueprint.
  • U moet deze eigenschap als een afzonderlijke eigenschap toevoegen en niet als lid van een eigenschapsgroep.